|
ReisverslagenOud en Nieuwtocht, Oeding30-12 Om 11.30 uur begint de eerste wandeling. Daarvoor hebben we een kopje koffie of thee gedronken in ons onderkomen: Burghotel Pass. Na twee kilometer lopen, komen we bij een luxe “Schutzhütte”. Met schilderijen aan de wand! Hier eten we (een deel van) onze boterhammen op. Tevens worden de eerste pakken drinken aangebroken. Een walletje begroeid met bomen vormt de grens tussen Duitsland en Nederland. Het pad buigt af en brengt ons naar een zandweg. Reisleider Rowan legt uit, dat we midden in het “coulissenlandschap” van Winterswijk staan. Door de vele houtwallen en bosjes blijft het steeds een verassing, wat er voorbij de bocht van de weg te zien is. Zo doemt er ineens een oude “schuppe” (schuur) op, waarin een galerie is gevestigd. Op het erf van wandelcafé “Steengoed”, worden we een warm welkom geblazen door Freek met zijn midwinterhoorn. Binnen is het al heel gauw gezellig. Met gebak van een goede banketbakker, een scheutje amaretto met slagroom en een kop koffie. Indrukwekkend zijn de “schelpkalk-groeves”. Vanachter het hek kunnen we naar beneden kijken. Naar een voormalige groeve (hier heeft al een paar keer de oehoe gebroed) en naar een nog volop in bedrijf zijnde groeve. Een amateur geoloog uit de streek voorziet ons van extra informatie. 31-12 Maar heel langzaam wordt het licht. Een sombere dag ligt voor ons. Een heel verschil met het zonnige weer van gisteren. Het afwisselende landschap van Kotten en Woold maakt veel goed. We lopen over asfalt, over klinkers, over zand en over een voormalige spoorlijn (Borkense Baan). De koffie/thee met iets erbij is in restaurant Berenschot. Het is gevestigd in een oud bedrijfsgebouw. Naast de onderslag-watermolen. Iets meer dan de helft van de groep kiest voor een extra lus. Hetgeen betekent, dat we de Slinge een stukje stroomafwaarts volgen. We komen in het natuurreservaat “Bekendelle” terecht. In het moerasbos staan bijzondere planten. Zoals schaafstro en mispel. Rowan demonstreert, dat rotte mispels eetbaar zijn. Je knijpt in de vrucht en er komt een appelmoesachtige substantie uit. Naarmate de middag vordert, horen we steeds meer geknal om ons heen. Aan de rand van een weiland staat een waar kanon (met deksel) opgesteld. Er gaat een blokje carbid in. Water erbij. Twee minuten wachten. Vuur. Boem. En het deksel vliegt meters ver weg. ‘s Avonds kunnen we ons tegoed doen aan de spijzen van het “Silvesterbuffet”. Eerst dienen we geduldig af te wachten. Want het voorafje en de soep worden door het personeel uitgeserveerd. Het smaakt allemaal prima. Met een glaasje sekt in de hand tellen we af. Tien, negen, acht…., 2012! Even naar het vuurwerk kijken en vervolgens terug naar de dansvloer. Om 01.00 uur ligt iedereen weer in zijn of haar bed. Behalve Harry Mulder, Gerry, Dicky, Peter, Jannie en Rowan. Zij gaan met een taxibusje naar een hotel in Sudlohn, om aldaar -zonder feestgedruis- van hun welverdiende nachtrust te genieten. 1-1 Ook nu weer veel bewolking en vrijwel continu (miezer)regen. Pas ’s middags wordt het af en toe droog. De koffie-/theestop bij het klooster van Burlo hebben we er dan al op zitten. En ook het avontuurlijke paadje aan de rand van het Vardingholter Venn en het Wooldse Veen. Het passeren van de grens ging nog niet zo makkelijk, twee keer moesten we over een sloot stappen. Daarbij hield niet iedereen de voeten droog. Een lange klinkerweg brengt ons naar de volgende “attracties”: het “Nonnenven” en de “landweer van Sikking”. Minder spectaculair, maar toch wel grappig zijn de “Italiaanse Meertjes”. Bij één daarvan houden we halt. De laatste pauze. Met uitzicht op enkele “nep-zwanen” In het hotel zitten we nog even bij elkaar voor één of meer borden soep. Bericht geplaatst door Rowan Koster op dinsdag 10 januari 2012 KUUROORDENTOCHT, Tsjechië, 17 t/m 25 juli 2011 zondag 17 juli Al meer dan 15 jaar wordt er gewerkt aan het NS-station van Arnhem. Eerst alleen aan de voorzijde. Maar sinds kort ook aan de achterkant (Sonsbeekzijde). Een fatsoenlijk parkeerterrein is er helaas niet meer. Op zichtafstand van de uitgang vind ik toch nog een plekje voor de witte minibus. Al gauw is de groep (7 deelnemers en 1 reisleider/chauf-feur) compleet. Tassen in de wagen, even een kopje koffie met koek en op weg. Naar Duitsland. Naar Oberhausen aan de rand van het Ruhrgebiet. Gelsenkirchen, Bottrop, Recklinghausen en vele andere steden volgen. Bij Raststätte "Am Haarstrang" is de omgeving weer landelijk en doemen de eerste heuvels van Sauerland op. Buiten is het inmiddels droog geworden. Onder een bleek zonnetje eten we ons brood op. Een stevig windje zorgt ervoor, dat we niet te lang op de metalen picknickbanken blijven zitten. Zon en regen wisselen elkaar af. Tussen Kassel en Eisenach stuiten we op de restanten van het IJzeren Gordijn. Hier waren Oost en West zo'n 25 jaar lang strikt van elkaar gescheiden. We lopen langs het gaas de heuvel op en verbazen ons over de bloemenpracht: wilde weit, marjolein, thijm en nog veel meer soorten. Donkere wolken jagen ons de bus weer in. Een lang stuk snelweg tot Hermsdorf volgt. In dit dorp dineren we in hotel "Zum schwarzen Bär", een historisch pand (vakwerk) met mooie binnenplaats. Nog twee uur te gaan. Eerst richting Schleiz. Over een stukje "DDR-Autobahn" met hobbelige betonplaten. Vluchtstroken zijn er niet en de parkeerplaatsen langs de weg zijn beperkt van omvang. Viaducten zijn ingepakt met netten, om het afbrokkelende beton op te vangen. Binnenkort is dit allemaal verleden tijd, want de "snelweg nieuwe stijl (2x 3 rijstroken)" rukt op. Als we net in Tsjechië zijn, laat de zon zich nog heel even zien. Daarna valt de schemering in. Hotel "Seeberg" is op de hoogte gebracht van onze komst. We kunnen direct de sleutel van de kamer in ontvangst nemen en van onze nachtrust gaan genieten. maandag 18 juli Bij daglicht ziet Ostroh, onze verblijfplaats, er heel anders uit. Het is een klein dorp met huizen die ver uit elkaar liggen. Daar tussen veel groen en een heuse burcht, daterend uit de Middeleeuwen. Het imposante bouwwerk staat op hoge rotsen vlakbij een diep beekdal. Via een lange voetbrug bereiken we de overkant. Hier staan ook nog wat huizen en een -gedeeltelijk gerestaureerd- kerkje. We verlaten het asfalt en duiken via een blauw gemarkeerd pad het bos in. Hoogteverschillen zijn er nauwelijks, wel wordt de ondergrond drassiger. Geen wonder, want we komen in een gebied met vennen en visvijvers. Forellen en karpers zijn de vissen die hier gekweekt worden. We zien, hoe een man vanaf de laadbak van een vrachtwagentje met een grote kolenschop graankorrels in het water gooit. Als er even later een groepje aalscholvers overkomt, grijpt hij zijn geweer en schiet een paar keer in de lucht, om de zwarte vogels te verjagen. Bij een splitsing ontdekken we twee reeën. Kennelijk zijn deze dieren gewend aan geweerschoten. Het centrum van Frantiskovy Lázne is niet ver meer. Alleen nog even een park -met verschillende bronnen- door. En dan staan we tussen alle pracht en praal. Statige gebouwen -de meeste okergeel van kleur- aan een lange kaarsrechte straat. Direct om ons heen badgebouwen, een zuilengalerij en heel veel groen. In een bloemperk de "mascotte van Franzenbad", een jongetje op een bal met een visje in zijn hand. Aan de rand van een ander park drinken we koffie en eten we een heerlijk stuk gebak. Er is veel keuze. In een glazen vitrine staat alles uitgestald. Vrijwel de hele middag ligt nog voor ons. Tijd genoeg, om nogmaals door het centrum van Franzenbad te slenteren. En om geld uit de muur te halen. In Tsjechië wordt immers alles met kronen betaald. De terugweg voert voor een deel over een kastanjelaantje. Een smal pad (oud-kerkenpad?) met aan weerszijden paardenkastanjes. Voorbij een bos houdt het pad op. We gaan langs en gedeeltelijk dwars door een korenveld verder. Bij de huizen van Poustka bereiken we het asfalt. Ostroh ligt 2 kilometer verder. 's Avonds steken we even over naar restaurant/pension "Seeberg". Binnen ziet het er eenvoudig uit. Maar de menukaart (we mogen zelf de gerechten uitkiezen) belooft veel goeds. Ook de serveerster doet haar best. Ze kan zelfs een beetje Nederlands spreken. In de loop van enige jaren geleerd van Nederlandse gasten. En het eten? Smaakvol en gevarieerd. Wandeling 1: 17 km, 75 meter stijgen, 75 meter dalen dinsdag 19 juli De wereldberoemde kuuroorden Franzenbad en Marienbad zijn in de loop van de achttiende eeuw gesticht. Pas toen lukte het, om de moerassen, die gevoed werden door talloze minerale bronnen, droog te leggen en te ontginnen. Over de bronnen werden keurige paviljoens gebouwd. Eerst van hout en later van steen of gietijzer. In de directe nabijheid van het heilzame water verrezen statige gebouwen. Met veel groen er omheen. Bomen, kleurige perken en geplaveide wandelpaden. Een complete metamorfose van het landschap! Niet overal gingen de veengebieden op de schop. Bij het plaatsje Hájek ten noordoosten van Franzenbad is alles vrijwel bij het oude gebleven. In het natuurreservaat Soos loop je over een houten vlonder langs "minivulkaantjes". Hier borrelt en sist het overal. Heet water zoekt zich een weg omhoog door de modder. Zouten slaan neer en bedekken de grond met kleurige korsten. Een stukje verder stuiten we op een smalspoorlijntje. Over de rails worden wagonnetjes met kaolienaarde vervoerd. Hoe dit spul eruit ziet, ontdekken we in het buurtschap Katerina. Onder een afdak staan de treinkarretjes. Volgeladen met brokken spierwitte klei. De belangrijkste grondstof voor porselein. De groeves liggen overal verspreid in de omgeving. Nabij Skalná, het volgende dorp, liggen enkele grote afgravingen, waar de klei met vrachtwagens wordt afgevoerd. Ik wijs de deelnemers op een grote witte berg in de verte. In het centrum van Skalná willen we koffie drinken. Tegenover de kerk en op steenworp afstand van het kasteel is een kleine lunchroom. Maar de deur is nog een kwartier op slot. Daarom gaan we eerst een boterhammetje eten. In een klein park. Met zicht op de lunchroom. Waar niets lijkt te gebeuren. Weer eens voelen aan de deur. Dicht. Zullen we naar het kasteel lopen en daar wat gaan drinken? Nee, want de eigenares staat achter ons. Enigszins verbaasd kijkt ze naar alle klandizie. Alvorens we het dorp verlaten, lopen we naar het binnenterrein van het kasteel. Hier staan een paar kooien met dieren erin. Het meest opmerkelijk zijn een stel walibi's (kleine kangoeroes). Het kasteel zelf ziet er imposant uit. Op een fundament van stevige rotsen zijn dikke hoge muren gebouwd. Het dak is helemaal vernieuwd. Onlangs zijn een groot aantal kleine houten "dakpannen" aangebracht. De tweede helft van de wandeling voert door een open landschap. Golvende velden met in de verte de beboste heuvels en bergen van de Slavkovský en Ceský Les. In het dorpje Stary Rybník trekt een enorme hereboerderij met visvijver en ruïne onze aandacht. Vergane glorie, waar je met veel geld en geduld, weer iets heel moois van zou kunnen maken. Maar wie durft? Iets verderop in Vonsov heeft een projectontwikkelaar? het wel aangedurfd. Een klooster is hier verbouwd tot hotel. De laatste kilometers gaan weer door bos. Onder de bomen staan zo'n 50 wilde zwijnen in een kraal. We kunnen de halftamme dieren goed bekijken. Evenwijdig aan de spoorlijn lopen we naar het bezoekerscentrum van het natuurreservaat Soos. Iedereen mag hier nog even rondneuzen. Ik blijf buiten en neem een kijkje bij het vogelasiel. Verschillende vogels, waaronder een havik en een oehoe, worden hier tijdelijk opgevangen. Als ze weer voldoende hersteld zijn, worden ze losgelaten. Wandeling 2: 16 km, 50 meter stijgen, 50 meter dalen woensdag 20 juli Donkere wolken kondigen ander weer aan; we houden het niet droog vandaag. En inderdaad, op weg naar Marienbad gaan de bergen schuil in de nevel. De minibus klimt naar boven, naar 780 meter hoogte, waar het koud en mistig is. En het regent. Dus regenpakken aan en vol goede moed op weg. Het zal straks heus wel droog worden (?). Na nog geen halve kilometer staan we op een vlonder bij een piepklein vulkaanmoeras (Smrad'och). Net als gisteren in Soos, "pruttelt" het water behoorlijk. Bellen met gas stijgen vanuit de diepte naar boven. Boven het water verspreidt de inhoud zich; onze neuzen worden "getrakteerd" op vleugjes zwavelwaterstof. Door de regen dalen we af naar de stad. Onderweg komen we steeds meer restaurants en hotels tegen. Lang niet alle horecagelegenheden staan er florissant bij. Kennelijk is er een overaanbod aan eet- en slaapgelegenheden. De eigenaren/uitbaters van grote, eenzaam gelegen panden, hebben als eerste de moordende(?) concurrentiestrijd opgegeven. Het bos gaat over in een park. Er zijn steeds meer paden en de afstanden tussen heilzame bronnen worden steeds kleiner. Achter de bomen doemen nu ook de statige panden van het centrum op. Hier hebben pracht en praal de overhand. Hoge gebouwen met beeldengroepen, fraaie ornamenten en kleurige bepleistering. Hetzelfde okergeel als in Franzenbad, maar ook opvallend roze, blauw of groen geverfde gevels. Van een bijzondere schoonheid is de gietijzeren kolonnade. Slanke zuilen, een koperen dak en veel glas. Een speels geheel, temeer daar de zuilengalerij een licht gebogen plattegrond heeft. Met regenkleding, paraplu's, rugzakken en modderschoenen gaan we een chic restaurant in. De toegang wordt ons niet geweigerd. Hoe zouden de obers en serveersters rond 1900 hebben gereageerd? Op elk oneven uur laat de "zingende fontein" van zich horen. Met paraplu's in de hand, want het regent nog steeds, horen we "De Moldau" van Smetana en andere bekende klassieke meesterwerken uit de ondergrondse luidsprekers schallen. Ondertussen spuiten grote en kleine waterstralen op maat van de muziek omhoog en omlaag. Een genot om naar te kijken. Uiteraard heeft Marienbad nog meer bezienswaardigheden voor ons in petto. Ik noem slechts: verschillende bronnen, een kerk in Neobyzantijnse stijl, pompeuze badgebouwen en keurig verzorgde plantsoenen. Aan de rand van de stad willen we nog een hotel-restaurant binnengaan, om iets te drinken. Het duurt even, voordat we de juiste ingang gevonden hebben. Want alles ziet er donker uit. Binnen blijkt er een grote hoge ruimte te zijn met tafels en stoelen. Een paar lampen gaan aan en we kunnen plaats nemen. Na ons bezoek wordt alles gelijk weer donker. Vanuit de kelder, waar de toiletten zijn, moet ik mij op de tast een weg banen naar buiten. Energie sparen is een goede zaak, maar je kunt ook overdrijven! Niet overdreven is de helling, die voor ons ligt. Voor de eerste maal in Tsjechië moeten we flink klimmen. Honderd meter gedurende een afstand van nog geen kilometer. Na het leegstaande hotel "Kamzik" wordt het terrein een stuk vlakker. Via een asfaltweg gaan we verder. Langs de achterzijde van de oudste golfbaan van de Kuuroordendriehoek. En langs een weiland, waar koeien grazen en een vos (!) in alle rust een paar muizen tracht te vangen. De asfaltweg klimt verder omhoog naar de 805 meter hoge berg "Polom". Vrachtwagens, zwaar beladen met boomstammen, komen ons tegemoet. Een paar huizen en dan weer absolute rust. Lange rechte paden en dan achter een bocht, de witte minibus. Eindelijk kunnen de regenpakken uit. Wandeling 3: 15 km, 175 meter stijgen, 175 meter dalen donderdag 21 juli Hotel Seeberg in Ostroh gaan we verlaten. We stoppen de tassen in de minibus en rijden om klokslag 10 uur naar Loket. Het stadje Loket ligt aan de rivier de Ohre. Op een strategisch punt. Op stevige rotsen in de binnenbocht van de rivier. Boven de huizen torent een grote burcht uit. De naam Loket betekent in het Tsjechisch "elleboog". Een gebogen arm met zwaard staat in het stadswapen. Het schilderachtige Loket ligt in een regio met veel industrie. Tijdens de wandelingen zien we daar niets van. Nu rijdt reisleider Rowan bewust langs grote fabrieken. Ten westen van Sokolov wordt bruinkool gewonnen. Deze delfstof ligt dicht onder de oppervlakte. Grote stukken land zijn compleet "opgeslokt". In een enkel geval zijn daarbij ook dorpen van de kaart verdwenen. De bruinkool dient als goedkope brandstof voor bedrijven en elektriciteitscentrales. Overal komen we daarom hoogspanningsmasten, schoorstenen en bovengrondse gasleidingen tegen. Gelukkig draaien de meeste fabrieken niet meer op volle sterkte. Het kuuroord Karlsbad heeft ook twee gezichten. Industrieterreinen, snelwegen en flats aan de noordkant, luxueuze hotels, badhuizen, parken en bronnen aan de zuidkant. 's Middags gaan we er met de lijnbus naar toe. Uiteraard zetten we koers naar het zuiden. Hierbij volgen we de loop van het riviertje de Tepla. Vrijwel alle bezienswaardigheden kom je dan tegen. Bijzonder zijn ook de toeristen om ons heen. In het kuurgedeelte van Karlsbad kom je een ander soort publiek tegen dan in Franzenbad en Marienbad. Veel jongedames uit Arabische landen. Met het vliegtuig zijn ze gekomen. Met hun mobieltje aan het oor zitten ze in een koetsje, die door een vrouwelijke koetsier wordt bestuurd. Op weg naar een kliniek, waar ze een schoonheidsbehandeling ondergaan. Met hun gezondheid is waarschijnlijk niets aan de hand. Wellness is de nieuwe goudmijn van Karlsbad. Reisleider Rowan benut de vrije middag, om wat inkopen te doen. Hij ontdekt een winkeltje, waar ze houten speelgoed verkopen voor redelijke prijzen. Met een aantal tassen vol spullen bereikt hij de bushalte. De deelnemers hebben weinig gekocht. Tot grote verbazing van Rowan. Op de vraag, waarom ze hun slag niet hebben geslagen, antwoorden een paar deelnemers als volgt: "We hebben ons geörienteerd op wat hier te koop is". "We komen hier toch nog een keer"? Ja dat klopt, maar dan zijn we aan het wandelen en hebben we geen tijd om te winkelen! Het eten tijdens de eerste avond in Hotel Ferdinand is heel bijzonder; uit een stenen oven wordt een varken gehaald, dat hier zeven uur langzaam heeft liggen garen. "Slow cooking" in optima forma! Met enig ceremonieel vertoon wordt het varken door een paar sterke mannen uit de twee meter diepe kuil gehaald. Onderwijl geeft een medewerkster van het hotel tekst en uitleg. En ze heeft gelijk, het vlees is heerlijk mals en rijk van smaak. De meeste deelnemers lopen voor een tweede of zelfs derde keer naar het buffet. Naast "aardvarken", kan ook gekozen worden uit verschillende groentes, pasta en fruit. vrijdag 22 juli Naast grote kuuroorden, liggen her en der verspreid in Tsjechië kleine kuuroorden. Het dorp Lazne Kynzvart is hier een goed voorbeeld van. Op een kleine oppervlakte liggen hier rondom een langgerekt park de sanatoria. Hier worden uitsluitend kinderen behandeld. Met name jongens en meisjes met aandoeningen aan hun luchtwegen. Vanuit het centrum van Lazne Kynzvart lopen we de helling af. Naar een paar stuwmeertjes en het slot van de Oostenrijkse staatsman Metternich. Onderweg valt op, dat de beheerders van natuurterreinen en landgoederen de weg naar Brussel gevonden hebben. Met subsidie van de EU is een hoogstamboomgaard aangeplant. En men is ook niet vies van commerciële activiteiten. Rondom het achttiende eeuwse slot is nog niet zo lang geleden een grote golfbaan aangelegd. Via een park met grote monumentale bomen en veel waterpartijen komen we bij het monumentale toegangshek. In een U-vorm ligt de residentie van Metternich voor ons. Strakke lijnen overheersen. Geen overdadige versieringen. En alles is in één kleur geschilderd: lichtgeel. Wordt vervolgd Bericht geplaatst door Rowan Koster op dinsdag 13 december 2011 KARPATHOSTOCHT (GR) (5 t/m 12 mei 2011) Op donderdag 12 mei keerden we midden op de dag terug van het bijzondere eiland Karpathos. Een langgerekt eiland, dat nog maar kort geleden, haar geheimen op het gebied van natuurschoon en oude gebruiken heeft prijsgegeven. Een "folkloristisch paradijs" tussen Rhodos en Kreta. Op donderdag 5 mei vertrokken we voor dag en dauw met een rechtstreekse vlucht van Transavia naar Karpathos. Op het grote voormalige militaire vliegveld stond de bus klaar, om ons naar hotel Romantica te brengen. Aan de rand van het centrum van Pigádia (ook wel Karpathos-Stad genoemd) en nabij het strand. Na ons geïnstalleerd te hebben begonnen we om 12.00 uur met de eerste wandeling. Die voerde naar het centrum van de stad en de heuvels daar achter. Een aardige dame in een strandtent wist ons te verleiden tot een lunch. Aan een hapje eten waren we wel toe. Zeker wanneer je vele uren eerder bent opgestaan. Het brood en de salade verschaften ons nieuwe energie. Om de heuvel op te komen in de fel brandende zon. Niet gemakkelijk. Maar we sjokten dapper door. Onder de dennen. Naar een prachtig gelegen kapel (Aghios Kyriaki). Met wijds uitzicht. En met het geluid van geitenbellen onder ons. Een onverhard stenig paadje naar beneden bleek veel te steil. Dus rechtsomkeert gemaakt. Naar het asfalt. Zodat we rustig om ons heen konden kijken. Een grote naar aas stinkende aronskelk werd uitgebreid vastgelegd. En halverwege de afdaling raakten we nog in gesprek met twee fietsers uit Nijmegen. Tweeëneenhalve kilometer en drie kapellen scheidden ons toen nog van de hoofdstad. En van de Griekse ijskoffee (café frappé) met iets zoets erbij. 's Avonds lieten we de binnenstad voor wat hij was. We staken enkel de weg voor het hotel over, om in het dichtstbijzijnde restaurant te eten. Wandeling 1: 8 km, 250 m klimmen en dalen vrijdag 6 mei Een stevige wind begroette ons, toen we uit de taxi's stapten. Gelukkig had iedereen nog een extra kledingstuk meegenomen voor het geval dat. In de beschutting van de Aghios Mamas-kapel konden we weer op temperatuur komen. Dit voor de beschermheilige van de herders gebouwde optrekje is waarschijnlijk de oudste van alle 750 kapellen op Karpathos. Het is in de negende eeuw door mensen van Aziatische afkomst (Syrië) gebouwd. Nadat we kort het interieur (fresco's) bewonderd hebben, gaan we vol goede moed verder. Langs olijvenboomgaarden met talloze bloemen (o.a. "wilde gladiolen", kroonganzebloemen, geel brandkruid, "roze winde", "brem"). En zowaar, de wind neemt iets af. De reisleider ontdekt tussen al interessante planten ook een "gestroomlijnde sprinkhaan". In Menetes gaan we kriskras door het dorp. Als eerste springt de grote kerk in het oog. Met aan de voorzijde een plein en aan de achterkant een 80 meter diepe afgrond. Aan beide kanten van de hoofdstraat zijn er nauwe steegjes met hoge treden. Een waar doolhof met verassende doorkijkjes. Vrijwel elk huis heeft een binnenplaats, waar potplanten en een enkele fruitboom de hegemonie van steen, tegels en beton proberen te doorbreken. Achter de veelal strakke en ietwat saaie gevels gaan soms verrassend fraaie interieurs schuil. Hetgeen blijkt als we het huis van een oude mevrouw mogen bekijken. We komen haar tegen in de dorpskroeg, waar we "koffie" (nescafé) drinken. Reisleider Rowan herkent haar onmiddellijk van een eerdere ontmoeting. Hij probeert haar duidelijk te maken, dat hij haar huis wel weer wil zien. Maar dan nu met 9 mensen. Kan dat? Ze voelt wel voor wat extra aandacht. Ook een dorpsgenoot, Aristides, wil graag in de belangstelling staan. Vol trots vertelt hij, dat hij onlangs 90 jaar is geworden. In het kleine huisje zijn de "ooohs" en "aahs" niet van de lucht. We staan in een mooie kamer, met tientallen borden en foto's aan de wanden. Recht voor ons de "soufa", een soort open bedstede, waar in het verleden de hele familie sliep. Ook deze is goed gevuld met huisraad. Een bed, een kast, een oude radio, dekens, fel gekleurde kleedjes en opnieuw heel veel wandborden en foto's. Niet alles in het huisje is authentiek. Een knots van een koelkast en een flatscreen-tv springen in het oog. Onlangs gekocht van de Amerikaanse pensioendollars? Het boertje, dat we een eindje buiten Menetes tegenkomen, zit er minder warmpjes bij. Hij bewoont een eenvoudig stulpje. We worden uitgenodigd om verder te komen. Hennie gelooft het wel, ze loopt liever door. De rest van de groep laat zich verleiden. We krijgen alle vertrekken -hoe klein ook- te zien. Uiteraard mogen we niet met lege handen vertrekken. De gastheer deelt verse geitenkaasjes en artisjokken uit. De geitenkaasjes kunnen we tijdens de lunch gelijk uitproberen. We zitten bij een kapel, uit de wind en in de zon. Alles wat we hebben meegenomen smaakt heerlijk. De bruine puntbroodjes, de tomaten, de komkommer en de geitenkaasjes. In de verte ligt beneden Pigádia. De stad komt langzaam maar zeker dichterbij. Hier is het nog rustig. Schuurtjes, geitenonderkomens en enkele huizen. Vlakbij een huis staat op een heuveltje een grafmonument uit een ver verleden. Uit een stuk rots hebben mensen eerst een soort van sarcofaag gezaagd en vervolgens hebben ze dit zware voorwerp op een wat kleiner rotsblok gezet. Merkwaardig. Op een T-splitsing houden we rechts aan. We passeren diverse graanvelden met veel klaprozen. De grond is hier kennelijk minder stenig. Het asfalt dient zich aan en niet veel later de eerste huizen van Pigádia. Via de bedding van een droogstaande beek bereiken we de weg, waar ons hotel aan ligt. De meesten van ons willen echter eerst nog naar de haven, om op één van de vele terrassen wat te drinken. 's Avonds maken we kennis met de bijzondere streekgerechten van restaurant To Ellinikon. Wandeling 2: 15 km, 100 m stijgen, 350 meter dalen zaterdag 7 mei Met 3 taxi's zijn we naar het hoogst gelegen dorp van Karpathos (Othos op 500 meter) gereden. Waar we eerst de werkplaats van een houtbewerker bezocht hebben. Deze man maakt mooie gebruiks- en siervoorwerpen van verschillende soorten hout (o.a. olijf). Souvenirs van hoge kwaliteit! De moeite waard om aan te schaffen. Maar hoe gaan we de nieuwe aanwinsten vervoeren? De hele dag in de rugzak? Of komen we vanmiddag terug? "Tot hoe laat bent u open?" "Ooh u bent een deel van de middag weg?" Tsja wat nu. De vrouw van de houtbewerker komt met de beste oplossing: "Ik lever jullie aankopen af bij de receptie van jullie hotel!" Met een gerust hart dalen we af naar de hoofdstraat van Othos. Om koffie te drinken. We kunnen kiezen uit twee cafés, die tegenover elkaar liggen. Het wordt het rechtse etablissement. Want het terras ligt het meest in de zon. Othos heeft nog een paar bezienswaardigheden voor ons in petto. Het winkeltje van de dorpspriester, de expositieruimte van een muzikant/kapper/schilder en een kapel. In het winkeltje zit de vrouw van de priester. En iets verderop loopt waarempel haar man. Met een stok in de hand. De schilderijtjes van meneer Ioánnis Chapsís vallen tegen. Ze zijn wel heel erg simpel uitgevoerd. Onder kunst versta ik iets heel anders! Nee dan de kapel. Hier valt meer te zien. Zwarte en witte kiezelstenen op de vloer en buiten een krachtige bron. De hoogste tijd, om te beginnen met de belangrijkste activiteit van vandaag: wandelen. Langs vervallen windmolens naar het buitendorp Kalenes. Voorbij dit buurtschap even doorgelopen naar een bergkammetje. Hier achter bleek -in de diepte- een mooie kloof te liggen. Terug naar de vruchtbare hellingen van Kalenes en Stes. Veel wijngaarden en boomgaarden. In Pyles raken we aan de praat met een Nederlander, die loodgieter en trainer van het eerste voetbalelftal van Karpathos is. Wandeling 3: 16 km, 150 meter stijgen en dalen zondag 8 mei Vanuit de lucht stelt het eiland Karpathos niet zoveel voor. Een langgerekt strook land in de uitgestrekte zee. Je vliegt er zo over heen. Ben je eenmaal neergestreken op het eiland, dan zijn er wel degelijk afstanden. Vanaf ons hotel in de hoofdstad, is het bijvoorbeeld een flinke taxirit naar het dorp Levkos aan de westkust. Via een bochtige kustweg met prachtige vergezichten rijden we erheen. Beneden ons in de diepte zien we een paar fraaie kiezelstrandjes liggen. Kort voor Spoa verlaten we de oostkust en gaan we voor de eerste maal kennismaken met de andere kant van Karpathos. Eerst rijden we een heel stuk door dennenbos. Totdat, voorbij een bocht, er alleen nog maar zwartgeblakerde stammen op de helling staan en liggen. De stille getuigen van een flinke brand. Gelukkig begint de bodem op veel plaatsen al weer wat groen te kleuren. In de nog stille badplaats Levkos, lopen we een schiereilandje op. Hier is meer bedrijvigheid. We passeren een paar mannen, die druk bezig zijn met boren, timmeren en spullen sjouwen. Bij Captain's Home kunnen we wel plaatsnemen. Met een kop koffie in de hand kijken we naar een jongeman met vriendin, die vanaf zijn boot met een werphengel grote vissen tracht te vangen. Met een flinke zwaai gaat er een lang stuk lijn met aas richting volle zee. Al snel heeft hij beet. Een meeuw heeft toegeslagen. O jee, dat loopt slecht af voor de vogel. Het haakje zal al wel helemaal in zijn maag zitten. Zo denken we. Maar..., een klein kwartier later gooit de visser de meeuw de lucht in en hij of zij vliegt zonder problemen weg. Wij gaan er ook vandoor. In noordoostelijke richting. We passeren de restanten van een Romeinse cisterne (ondergronds waterbassin) en we lopen dwars door het verbrande dennenbos. Ons doel, het schilderachtige Mesochori ligt om de hoek. Maar we moeten verschillende kloofjes door en kammetjes over, alvorens het op een helling gelegen dorp in zicht komt. Vlak voor Mesochori slingert het pad door olijfboomgaarden. Het zijn kleine ommuurde percelen. Temidden van veel struikgewas en rotspartijen. We passeren een kleine vuilnisbelt met brommer. Vervolgens een steil stukje omhoog, een kerkje en dan de eerste huizen van Mesochori. We hebben allemaal honger en dorst. Het is reeds twee uur geweest. Boven bij de parkeerplaats schijnt een restaurantje open te zijn. Via tal van stegen en trappen bereiken we de hoofdingang van het dorp. Er is een restaurant. En de deur is open. Binnen is het stil. Niemand te zien. Alleen een meisje, dat naar de televisie kijkt. Reisleider Rowan pakt zijn boekje "Wat en hoe Grieks" en zoekt relevante zinnen op. "Kunnen we hier wat eten?" "Kun je je moeder/vader ophalen?" Het meisje kijkt bedenkelijk. Maar ze gaat aan de slag. Ze loopt naar buiten, ze belt. En wij wachten af. Aanvankelijk gebeurt er niets. Het geluid van de televisie wordt weer harder gezet en het meisje kijkt geboeid naar tekenfilms. Een half uur later zitten we toch achter een heerlijke salade. Met vers brood erbij. Een man en een vrouw zijn uit het niets tevoorschijn gekomen en zijn direct aan de slag gegaan. Dat is het mooie van Griekenland. Mensen willen je altijd helpen, ze verkopen liever geen nee, ze kunnen goed improviseren en ze blijven vriendelijk. Of het gaat lukken weet je echter nooit. Lang van te voren iets regelen, stuit op allerlei mitsen en maren. Alle gesprekken beginnen en eindigen steevast met: wellicht, mogelijk, eventueel, met een beetje geluk.... Na de lunch is er geen tijd meer, om nog 6 kilometer door te lopen richting Spoa. Wel kunnen we het dorp nog wat uitgebreider gaan bekijken. Iedereen gaat mee. Een stukje de helling af, op zoek naar de hoofdkerk, die -hoe raar het ook klinkt- behoorlijk verstopt ligt. Achter hoge rotswanden. Voorbij een gezellig café (met oude Griekse mannetjes) en een tegen de rots gebouwd restaurant. Beide etablissementen zijn dus gewoon open. Onder de kerk is een ruimte, met drie krachtige waterbronnen. En voor de kerk kunnen we een rondje lopen op het plein. De kerk zelf is helaas gesloten. wandeling 4: 10 km, 200 m stijgen en 200 m dalen maandag 9 mei Het is gelukt. Op de vrije dag kunnen we met de gehele groep naar Olympos. En we zijn niet afhankelijk van een veerboot, taxi's of een bus. We gaan met twee gehuurde terreinauto's naar het noorden. Deelnemer Kerst en reisleider Rowan treden op als chauffeurs. Het wordt een inspannende rit. Helling op en helling af en heel veel bochten. Niet teveel naar rechts en links kijken. De blik blijven concentreren op de weg. Er is niet veel verkeer. De breedte van de hele weg kan benut worden. Natuurlijk wel regelmatig toeteren. Zeker aan het begin van een onoverzichtelijke bocht. Voorbij Spoa houdt het asfalt op. Hier moeten gewone huurauto's rechtsomkeert maken. Wij rijden door. Over een aanvankelijk zeer brede grindweg. Halverwege wordt de "piste" ineens veel smaller. En steniger. Stapvoets over de hobbels en door de kuilen. Al gauw wordt de weg weer breder. We passeren een paar vrachtauto's, een wals en een asfalteermachine. Echter geen wegenbouwer te zien. Wel een waakhond. Het is de bedoeling, dat Olympos over land over een paar jaar goed bereikbaar is. De inwoners van het noorden wachten -net als voorgaande jaren- rustig af. Het landschap om ons heen is ruig. Bergen van meer dan 500 meter hoog. Op een smal stukje land. Kale hellingen overheersen. Geen huis te zien. Wel een enkele kapel en groepjes olijfbomen. Asfalt onder de wielen. We kunnen iets harder gaan rijden. En dan ... ligt daar Olympos! Tientallen huizen, dicht op elkaar, op verschillende hellingen. Imponerend. Dat mensen eeuwen terug nou juist deze plek hebben uitgekozen! Geen lieflijke vruchtbare vallei, maar een desolaat winderig oord. We beginnen met koffie. Een mevrouw in klederdracht bedient ons. Het restaurant is "stijlvol" ingericht. Met echt oude en wat minder oude snuisterijen. Twee zingende kanaries zorgen voor nog wat extra gezelligheid. Voor de vorm? pakt de uitbaatster haar handwerkje weer op. Olympos is anno 2011 een wonderlijke mix van folklore en commercie. Het hele jaar door. Ook op een gewone maandagmorgen. Er zijn meer toeristen. En de meeste winkeltjes zijn open. We laten ons niet verleiden tot grote uitgaven. Daarvoor zijn wij wandelaars veel te nuchter. Want wat moet je nou met al die kleedjes en tasjes? Zijn ze wel in Olympos gemaakt? Boze tongen beweren immers, dat veel "handwerkprodukten" een klein etiketje hebben met het opschrift: "Made in China". Wij lopen door naar de windmolens aan de westkant van het centrum. Op een winderige rotskam staan ze keurig op een rijtje. De meeste hebben ook wieken. Dit is het rustige gedeelte van Olympos. Hier moet ook ergens de dorpspriester wonen. We gaan op zoek. Via smalle paadjes en veel trapjes bereiken we de achterkant van een huis. Er staan veel planten en struiken op de binnenplaats. Hier zou het wel eens kunnen zijn, zegt reisleider Rowan. En dat klopt. De papas is er niet, maar wel zijn vrouw. Zij is bereid, om ons haar huis te laten zien en ze wil ook wel even de deur van de kerk openmaken. Tegen betaling van 1 euro per persoon. 's Middags komen we de priester alsnog tegen. In een cafeetje in Avlona. Hij is daar, om zijn landerijen te bewerken. Hij heeft gewone kleding aan. Maar Rowan herkent hem aan zijn gezicht. We hebben de lunch (in een restaurantje nabij de molens van Olympos) en een wandeling (vanuit het buitendorp Avlona een stukje de stilte in) er dan al op zitten. We drinken nog wat en gaan vervolgens terug naar het "jachtige" Pigadia. 's Avonds kiezen we voor het restaurant aan de overzijde van het hotel. Geen wandeling naar het centrum. Alleen even de straat oversteken. Het is immers "rustdag". dinsdag 10 mei We blijven wat dichter bij "huis". Een kort taxiritje brengt ons naar de grote kerk van Aperi. Naast het kantoor van de bisschop is een leuk koffiehuis. We gaan naar binnen en worden enthousiast welkom geheten door de eigenaar. Een luid "bravo", komt uit zijn mond, als we hem vertellen, dat we naar de kapel van de profeet Ilias gaan. Ook het feit, dat we meehelpen met het in gereedheid brengen van de koffietafel, doet hem nog menigmaal "bravo" uitroepen. Vol energie gaan we een klein uurtje later echt op weg. Even een paar steegjes door en dan het dorp uit. De eerste kilometers zijn niet moeilijk. We gaan zelfs eerst nog een stukje naar beneden. Voorbij een huisje verlaten we de grindweg. Bordjes en gekleurde stippen wijzen ons de helling op. Tussen steenblokken en struikgewas gaan we omhoog. Recht boven ons ligt op 497 meter de kapel. Het pad gaat echter eerst naar rechts naar een zadel. Vanuit deze open plek gaat het pad zigzaggend verder. Boompjes en struikjes belemmeren het uitzicht. Na flink wat gehijg en gepuf, zien we het dak en de muren van de kapel opdoemen. Applausje voor ons zelf. Even uitrusten en dan weer naar beneden. Helemaal naar zeeniveau, naar het strand: Achata Beach. Onderweg picknicken we onder een stel olijfbomen. Een schaduwrijk plekje. Wel hangt er een sterke geitenlucht. Kennelijk hebben deze dieren hier een dag eerder gepauzeerd. Op twee kilometer van het strand splitst de groep zich. De deelnemers, die voor het gemak kiezen, blijven het asfalt volgen. De deelnemers, die nog wat energie over hebben, "duiken" het beekdal in. Langs en door het droge beekdal gaat het verder. De snoeischaar van de reisleider moet er af en toe aan te pas komen. Hij knipt niet alleen braamstengels en tamarisktakken af, maar ook -fraai bloeiende- oleandertakken. Op het strand is de groep weer compleet. Enkele deelnemers zoeken de verkoeling van het water op. wandeling 5: 13 km, 250 m stijgen en 500 m dalen woensdag 11 mei De reisleider had het al een paar keer aangekondigd: "Tijdens de laatste wandeldag gaan we de kloof in"."Een zware tocht". Het begin van de kloof laat echter lang op zich wachten. Het lukt namelijk niet, om vanuit het dorp Volada naar de Lastos-hoogvlakte te lopen. We raken uit de koers en komen uiteindelijk in een groeve terecht. Onderweg moeten we een belangrijke afslag hebben gemist. Rowan bekent schuld en besluit de taxichauffeur te bellen. Om ons alsnog naar de hoogvlakte te brengen. Het duurt echter geruime tijd, voordat we allemaal zijn vervoerd. Degenen, die als eerste naar boven zijn gebracht, hebben lang in de vochtige kou moeten wachten. Op 700 meter hoogte kan de zon lang niet altijd door alle wolken en nevel dringen. Taveerne Kalí Limni, op 1,5 kilometer afstand, biedt uitkomst. Binnen is het warm, de open haard brandt. Wij schuiven aan. Met koffie of thee binnen handbereik. Als de mokken en glazen leeg zijn, gaan we toch maar op pad. Het weer is niet geweldig. Er is veel bewolking. En het lijkt of er regen komt. Tevens rommelt het een beetje in de lucht. Alvorens de echte afdaling begint, houden we nog halt voor de lunch. Het is goed, om wat in de maag te hebben. Als we opbreken, is de lucht op verschillende plaatsen een stukje donkerder geworden. Krijgen we nu onweer of niet? Voorlopig blijft het droog. De zon gaat nog niet helemaal schuil achter wolken. Voor verschillende deelnemers is het even slikken, als zij voor de eerste maal voor een diepe achtergrond staan. Moeten we hier naar beneden? Kan en wil ik dit wel? Het is wennen. Dit is zwaarder dan verwacht. Iedereen zet zijn of haar beste beentje voor en langzaam dalen we af. Als groep hebben we de afspraak gemaakt, dat we om de 45 minuten pauzeren. Het is immers geen doen, om bij elk lastig stukje stil te staan. Iedereen zal op zijn of haar eigen manier het grote hoogteverschil moeten overbruggen. Twee maal 45 minuten gaan voorbij. Iedereen is heel stil. Sommigen zien de kloof als een leuke uitdaging. De meesten hopen echter, dat het einde zo snel mogelijk in zicht komt. We worden extra op de proef gesteld; het gaat regenen. Dus nog beter uitkijken, waar je je voeten neer zet. Tegen half vijf bereiken we de kustweg. Op hetzelfde moment komt de eerste taxi voorrijden. In het hotel kunnen we bijkomen van ons avontuur. We doen de regenkleding uit en we gaan onder het genot van een glaasje de wandeling evalueren. wandeling 6: 12 km, 150 m stijgen en 700 m dalen Conclusie: deze wandeling door de kloof (Lastos-hoogvlakte - Adia Beach) is ondanks het fraaie natuurschoon niet voor herhaling vatbaar. In 2012 zal dag 7 op een andere manier worden ingevuld. donderdag 12 mei Om negen uur 's morgens staan we met onze koffers op het terras van hotel Romantica. We nemen afscheid van de medewerkers van het hotel. Via Arkasa (westkust) rijdt de bus naar het vliegveld. Een kleine twee uur later stijgt het vliegtuig van Transavia op. Met als bestemming Kalamata (tussenlanding) en Schiphol. Karpathos tot ziens! Bericht geplaatst door Rowan Koster op donderdag 18 augustus 2011 MINHOTOCHT (Noord-Portugal); 10 tot en met 17 juni 2011 "Iets erbij". Al in de oertijd van Uniek Voettochten toen Henk de Rooij nog de scepter zwaaide, was tijdens elke reis "er iets bij". Meestal was dat een flink stuk appeltaart bij de koffie, maar het kon ook een Limburgse vlaai, een Deventer koek, of een Arnhems meisje zijn. Als er maar "iets" bij was. Rowan, die nu al weer vier jaar geleden het stokje van Henk de Rooij heeft overgenomen, staat erop dat er altijd "iets" bij zal zijn. En aldus geschiedde het bij de splinternieuwe MINHOTOCHT in het noorden van Portugal. Vrijdag 10 juni Op de aankomstdag, vrijdag 10 juni, deed de TAP (Portugese vliegtuigmaatschappij) er een paar uur bij, omdat in Lissabon de aansluiting werd gemist, waardoor men pas om half negen 's avonds in hotel Adelaide in Caldas de Geres aankwam, maar waar de keuken al gewaarschuwd was en iedereen toch met een tevreden gevoel en goed glas wijn erbij zich te ruste kon leggen. Zaterdag 11 juni De volgende dag werden we met het busje van Adelaide naar het museum in Campo de Geres gebracht, om de agrarische gebruiken van de vroegere bewoners van Vilarinho das Furnas te bekijken en de op de hoogte te geraken van de Romeinse legerweg, de Geira, die 2000 jaar geleden bij Campo de Geres liep. We hebben een groot stuk van die Romeinse heerbaan gelopen en we zijn authentieke mijlpalen tegengekomen en we hebben zelfs gezien hoe een werkplaats van mijlpalen er uit zag. En dat midden tussen prachtige eeuwenoude eikenbomen in het Mata de Albergaria. 's Avonds was het toetje in het restaurant van Adelaide niet alleen warme gepofte appel uit de oven, maar ook ijs, slagroom en iets van Licor Beirao erbij. Zondag 12 juni Op de mooie Pinksterdag van 12 juni hadden we in het karig voorziene café Bosque in Covide slechts zelf meegenomen mariakaajes bij de koffie en een bemoedigend woord van Rowan via de mobiele telefoon. Maar dat werd helemaal goed gemaakt door de kudde wilde paarden die we hoog in de bergen van Seara tegenkwamen en een nog grotere kudde schapen en geiten , terwijl de Serre de Estrella herdershond ons wantrouwend toeblafte tussen de talrijke varens. Een oude in het zwart geklede vrouw deed de was met de hand in de grote granieten wasvijver van Seara vlakbij de dwars over de weg gebouwde espigueiro, het typische graanschuurtje van de Alto Minho. 's Avonds werd onze gezondheidsprofetes gehuldigd, die de heilsleer had verkondigd van het dagelijks nuttigen van troebele appelazijn met iets van Ahorn- siroop erbij. Joke is nu de trotse draagster van de appelazijntrofee. Hetgeen uiteraard alleen voor de allersterksten is weggelegd. Maandag 13 juni De tweede Pinksterdag was bestemd om door de bergen naar het 300 meter hoger gelegen jachthuis van Junceda te klimmen en vandaar via kruip-en sluipdoor geitensporen en wildpaden af te dalen naar Campo de Geres. Wat wel enig spoorzoeken vergde, maar door de steenmannetjes bleven we op koers. In het restaurant van hotel Stop in Campo de Geres wachtte een uitgebreide late lunch, met heel veel extra soep en olijfolie. Na het overvloedige diner was er zomaar een trotse draagster van de steenmannetjestrofee in ons midden erbij. Dinsdag 14 juni Dinsdag 14 juni was de rust -en verplaatsingsdag van Caldas de Geres via Ponte de Lima naar Caminha helmaal in noorden van Portugal aan de monding van de grensrivier de Minho. Onze supergrote bus kon toch het parkeerterrein aan de rand van de rivier de Lima opkomen en in de mooie stad hebben we een rustige stadswandeling gemaakt en de tuinen aan de overkant van de Lima bezocht. De lunch bij de brug was eenvoudig doch voedzaam en vooral met een mooi uitzicht op de rivier .In Caminha waar we tegen 4 uur aankwamen, logeerden we in Pension Arca Nova, vlakbij het historische centrum op loopafstand van het beroemde pleintje met de 16de eeuwse stadsfontein. Het eten in het restaurant Petisceira bij "onze jongens" was als vanouds heel lekker en overvloedig met veel hilariteit en koffie erbij. Woensdag 15 juni Op woensdag begonnen we in Caminha vanuit het pension te lopen naar de kloosterkerk en via de openbare wasplaats bovenlangs naar ons huis in Cristelo waar een kopje koffie wachtte met een overvloedige schaal gebakjes erbij en uitzicht op de oceaan. De klim naar boven naar de windmolens was pittig, maar we werden beloond met prachtig uitzicht over de monding van de Minho en het eiland met kasteel voor de kust. Via de calavarieberg van Ancora , de boulevard en het strand en het "grijze tentje"van Moledo terug naar Caminha. En omdat we een trotse draagster van de GPS-trofee in ons midden hadden, wisten we, dat we het dagmaximum van 20 wandelkilometers overschreden hadden en er zeker 100 meter bij was gekomen. Donderdag 16 juni De laatste wandeldag was bestemd voor de overtocht naar Gallicie met de veerboot die al om 8 uur 's morgens vertrok en waardoor we om 7 uur in een café aan de koffie zaten met ovenverse broodjes kaas erbij. Driehonderd meter hoog lag de top van de Monte Tecla op ons te wachten en via een gemarkeerde route bereikten we de verkoopstalletjes met in de aanbieding veel troepica toeristica, waaronder dansende Gallicische heksjes op een stokje. Hoeveel gekkigheid kan een stokje verdragen, broeders en zusters? Pauze met koffie en een adembenemend panorama over de Minho , de Spaanse en Portugese kust. We bevonden ons op het meest zuidwestelijke puntje van Spanje. Via de opgravingen van een Keltische nederzetting bereikten we tegen lunchtijd de havenstad Guarda. De restaurants aan de haven zijn beroemd om hun lekkere vissen, kreeften en langoustines. Onze lunch bestond uit meerdere schalen tapa's van calamares, mosselen, garnalen in olie en knoflook en sprankelende witte wijn erbij. Daarna had iedereen behoefte aan rust wat er op neer kwam dat vrijwel iedereen zich op het strandje van de haven neervlijde in een horizontaal meditatieve houding. De weg terug naar de veerboot langs de hoogopspattende golven van de oceaan en de aangename zeewind was een makkie en na een frisse duik in het water van de Minho bereikten we moe maar voldaan weer de Portugese bodem na 15 kilometer te hebben afgelegd. Na het cultuur-historisch slingertje door de stad Caminha was er een slokje met iets erbij op het plein. Vrijdag 17 juni De laatste dag 17 juni was bestemd voor de terugreis en een bezoek aan het historische havenstadje Viana de Castelo. De meesten gingen met de boemeltrein van 10 uur naar Viana en een paar stapten bij Han in het Volkswagenbusje vol bagage van de groep. Met een kabelbaantje bezochten we de Santa Luzia, een kathedraal op de bergtop bij Viana met weer een magnifiek uitzicht, nu op de monding van de Lima, de stad en Darque, de havenplaats aan de zuidkant van de rivier. Na de lunch in Viana en een bezoek aan de mooie barokke achttiende eeuwse gebouwen gingen we met een taxi en het volkswagenbusje naar het vliegveld van Porto. Volgens schema vlogen alle negen deelnemers om vijf voor vijf met het vliegtuig naar Amsterdam, met een voldaan gevoel vanwege de prachtige wandelingen, gezellige tijd, de leuke groep en vele trofeeën erbij. Ik, als herder en hoeder van de groep ben nu de trotse drager van de zonnetrofee, vanwege de vele zonnige momenten die we beleefd hebben en dat bedoeld in allerlei opzichten. Jammer, dat de reis maar 8 dagen geduurd heeft en misschien is dat een idee voor het volgende jaar… nog een paar dagen erbij. Bericht geplaatst door Han Sibon (reisleider Minhotocht) op maandag 11 juli 2011 De Mortelentocht (Noord-Brabant), oktober 2010 Zaterdag 2 oktober 2010 startte een nieuwe tocht in het programma van Uniek Voettochten. Vanaf een hotel aan de uiterste noordkant van Oirschot liep een groep van 11 wandelaars gelijk door de weiden in noordelijke richting naar het natuurgebied De Mortelen. Opgewekt, omdat de vooruitzichten plotseling waren veranderd van regenachtig in een droge dag tot circa 16.00 uur. De Mortelen is een prachtig kleinschalig coulissenlandschap dat al dateert van de 12de eeuw. Er is een grote afwisseling van bossen, bosjes, houtwallen, boomrijen, weitjes en akkertjes. In de bloemrijke graslanden staan soorten als knolsteenbreek en koekoeksbloem, in de schraalste zelfs brede en gevlekte orchis en Spaanse ruiter, volgens de beheerder van het gebied, Het Brabants Landschap. Nu stonden er veel plassen in de weiden. Het water heeft namelijk moeite in de grond weg te zakken, omdat op veel plaatsen een leemlaag het water tegenhoudt. Het oude ‘boerengebruiksbos’ wordt periodiek gekapt, wat gunstig uitpakt voor planten als slanke sleutelbloem en eenbes en voor vlinders als gehakkelde aurelia en kleine ijsvogelvlinder. En wij hadden geluk, de gehakkelde aurelia liet zich op de zonovergoten zondag nog even zien op de brandnetels. Een foto van de gehakkelde aurelia is te vinden op de fotosite http://picasaweb.google.com/uniekjan in de map Mortelen. De Mortelen vormt het hart van het ‘Groene Woud’, een provinciaal plan om te komen tot één samenhangend natuurgebied dat zich uitstrekt van de Oisterwijkse Vennen via de Kampina tot en met de Geelders. De oprichting van zo’n groot samenhangend gebied - inclusief bufferzone 7.000 ha - is een bittere noodzaak in de snel verstedelijkende driehoek Eindhoven - ’s-Hertogenbosch - Tilburg. Deze dag was de drukte makkelijk te vergeten. Ik hoorde reacties als; “wat en rust en geen huis te zien.” “Een stap terug in de tijd.” Een kwetterende groep putters vloog langs op zoek naar zaden in de laatste distels. De buizerd zweefde boven de weilanden. Via een graspad met oude knotwilgen komen wij langs de oude herberg van Mieke Vingerhoeds. In de oude langgevelboerderij zijn nog steeds de bedstee, de opkamer en de schouw met plattebuiskachel te zien. Deze kordate uitbaatster van de zaak lette er op dat je niet te veel dronk en je gepast gedroeg, anders werd je eigenhandig door haar uit de zaak gezet. Ze houdt de zaak nog steeds in de gaten, in brons gegoten op het terras. Het begint te motregenen, maar de houtwallen langs de stegen bieden goede bescherming tegen de meeste regen. Een steeg is een verhoogde zandweg in het gebied, onstaan door de vaak vruchteloze pogingen van de boeren om hun land te ontwateren. Daardoor ging de grond inklinken waardoor de weggetjes door het gebied hoger kwamen te liggen. Via de Oudesteeg en de Termeidesteeg vervolgen we onze weg. Het landschap wordt weer wijdser en het weer droger. Hoogspanningsmasten doemen op. Terug in anno nu! Door een verkaveld grootschalig landbouwgebied met mais en aardappelen lopen we terug naar het hotel. Daar laten wij ons een wijntje en een herfstbiertje goed smaken. Tijd om te douchen. Verwachtingsvol schuiven we om 18.30 uur aan voor het driegangen diner. Mosterdsoep, smaakvol! Twee stukjes kipfilet, heerlijk gekruid, op een bedje van snijbonen, gebakken uien en spekjes. Samen geserveerd met salade en twee soorten gebakken aardappelen. Ijs met verse vruchten toe. Op de opmerking dat hij veel te veel eten op tafel heeft gezet, antwoord de hotellier; “jullie zullen wel honger hebben na zo’n wandeling en ik wil dat jullie niets te kort komen.” Deze opvatting waarderen wij bij Uniek Voettochten. Wij weten dat een goede maaltijd een belangrijk onderdeel van het arrangement uitmaakt. Complimenten voor onze gastheer Nanno. Zondag belooft een mooie dag te worden. De laatste resten bewolking lossen langzaam op met het opkomen van de zon. Ontbijten, lunchpakketje samenstellen, en op weg naar een ander wandelgebied. Met de beschikbare auto’s rijden we in enkele minuten naar een parkeerplaats in het Banisveld. Het gebied vormt een verbindende schakel tussen De Mortelen en de Kampina en daarmee een onderdeel van het Nationaal Landschap Het Groene Woud. Het is ook mogelijk gemaakt dat grazende runderen de bestaande wegen kunnen oversteken. Weggebruikers van de route tussen Boxtel en Spoordonk moeten nu rekening houden met overstekende koeien. De snelheid op de Koevoortseweg is teruggebracht van 80 naar 60 kilometer per uur. Voordat een automobilist de oversteekplaats binnenrijdt, mag de snelheid maximaal 30 kilometer per uur bedragen. Om te zorgen dat de grazers binnen hun gebied blijven, zijn op de weg stroommatten gemonteerd. De runderen kunnen de stroommatten niet passeren. Andere weggebruikers als fietsers en voetgangers en zelfs ruiters kunnen wel de stroommatten oversteken. Door het Dal van de Beerze gaan we naar Spoordonk. In Noord-Brabant werd het woord of de naam Donk vooral gebruikt voor een zandbult of een plateaurand langs een beekdal. Omdat donken een hogere en drogere plek in een vaak drassige omgeving boden waren ze aantrekkelijk als vestigingsplaats voor mensen. Donk vindt men dan ook terug in meerdere plaatsnamen, als Beek en Donk en ons doel: Spoordonk. Langs de meanderende Beerze doemt het silhouet op van de kerk van Spoordonk. In de Spoordonkse watermolen staat voor ons de koffie met gebak klaar. We worden hartelijk ontvangen door mevrouw Dingemans, die ons vertelt dat zij het gebak zelf heeft gemaakt van in de molen gemalen meel. Vanuit het restaurantgedeelte is de ijsvogel vaak te zien. Een kijker staat constant paraat in de zaak om de oever in de gaten te houden. De ijsvogel laat zich nu niet zien. Volgens mevrouw Dingemans liet de ijsvogel zich gisteren wel om deze tijd zien! Na het passeren van een grote varkenshouderij en een geitenboerderij bereiken we de uitgestrekte heidevelden met vennen in de Kampina. Tussen de heidestruiken groeit de wilde gagel. De soort is in Nederland sterk in aantal afgenomen. Vanwege de bittere stof in de bladeren wordt gagel in België in plaats van hop gebruikt bij het brouwen van een biersoort. We stuiten op een kudde grazende paarden. Het is warm op de heide. We besluiten een rustpauze in de heide te nemen, om nog even langer te genieten van misschien wel de laatste zomerse dag van het jaar. In het Banisveld stuiten we nog op een grote kudde schapen. De kudde splitst zich naar twee kanten, zodat wij geflankeerd door schapen onze route vervolgen. Nu is het nog maar twee kilometer naar de auto’s op de parkeerplaats. We rijden achter elkaar aan naar een restaurant, vlakbij het station in Boxtel, voor de afsluitende kop soep. Onder het genot van tomatensoep en ossenstaartsoep evalueren we de afgelopen twee dagen nog even. We nemen daarna afscheid en wensen elkaar een goede terugreis. Lilian en ik brengen nog twee mensen naar het station in Boxtel. Een nieuw wandelweekend in het programma van Uniek Voettochten zit er op. Bericht geplaatst door Rowan Koster in opdracht van Jan Sweris op dinsdag 2 november 2010 Oud- en Nieuwtocht 2009 – 2010 in het Vechtdal Woensdag 30 december 2009 (18 km) Eén ding is duidelijk: het wordt een fraaie winterse tocht rond deze jaarwisseling. Er ligt al heel wat sneeuw en er wordt nog meer verwacht. Iedereen is nagenoeg op tijd gearriveerd bij Grandcafé ‘Het Oude Station’ te Dalfsen zodat we om 11.15 uur vertrekken richting Huize Den Berg. De familie Van Dedem heeft op dat landgoed haar stempel gedrukt. Er zijn zelfs twee moorden gepleegd! Men ging toen anders met het personeel om dan nu. Het is een prachtig landhuis, aan een vijver in Engelse landschapsstijl met statige rechte lanen van beuken of eiken. Voorbij het landhuis Den Berg gaat het richting landgoed Den Aalshorst. Op de route maken we bij een hoog gelegen bosje een uitstapje naar een dassenburcht, die zo te zien bewoond is. Huize Den Aalshorst is van buiten een statig, niet al te groot, landhuis en van binnen is de inrichting volgens Gerard niet al te luxe. Het is in gebruik als vakantiehuis. Tegenover het landhuis ligt een grand canal (langgerekt water als uitzichtsas), enigszins slingerend volgens de mode uit die tijd. De boerderij bij dit landhuis is ook prachtig. Voorbij Den Aalshorst lopen we (letterlijk) door het bos naar ons koffieadres café restaurant ‘Het Boskamp’. Uiteraard staan daar koffie en appelgebak voor ons klaar. Na deze stop gaat het richting Hoonhorst, we zien een groepje van vijf reeën. Bij Hoonhorst lopen we het beekdalletje in en lopen achter landgoed Mataram langs. We lopen langs de school in de buurtschap Emmen en komen via een statige laan van landgoed Den Berg weer bij station Dalfsen. We bewonderen daar nog even de zwevende steen en gaan vervolgens met de aanwezige auto’s naar ons hotel ‘Hof van Dalfsen’. Hier worden we hartelijk verwelkomd met glühwein en een hapje. Dat gaat er wel in. Om 18.30 schikken we aan voor het diner. Donderdag 31 december 2009 (21 km) Na het ontbijt vertrekken we om 9.15 uur direct vanuit ons hotel. Vandaag wandelen we oostwaarts, net zo lang tot we er genoeg van hebben. Volgens Gerard komen we dan op wonderbaarlijke wijze weer terug in Dalfsen: een verrassing dus hoe dat zal gaan. Onze route gaat, via een stuw in de Vecht bij congreshotel Mooirivier, eerst naar het landgoed Vilsteren. Het Vechtdal is hier wijds en de uitzichten zijn er prachtig. Voorbij de stuw gaat het langs een oude Vechtarm tot we bij de hoog gelegen es van Vilsteren aankomen. Daar lopen we langs met aan de ene kant het uitzicht op het dorp Vilsteren en naar de andere kant zicht op de oude Vechtarm. We ‘beklimmen’ allemaal de ‘kurkentrekker’ en lopen langs een koepeltje naar de kluizenaarshut. Het is een goed geventileerd bouwwerk. Bij Manege Laarbrug wacht ons koffie en een kop soep. Na het verwijderen van de ballen is er zelfs vegetarische soep. Gerard belooft beterschap. Vanaf de manege gaan we langs de Regge verder tot het fietspad naar het Giethmener kerkbrugje. Daar horen we in de verte het carbid schieten. Even later staan we daar met een glaasje glühwein ‘te genieten’ van de knallen. Het wordt steeds professioneler: er staat achter de batterij melkbussen een vangnet voor de ballen, zodat men niet al te ver hoeft te lopen! We ‘beklimmen’ de Besthmenerberg waar een uitkijktoren op staat. Iets verderop ligt een openluchttheater. Op het bordje dat erbij staat is geschreven dat in de tijd van Krisnamurti dit theater er nog niet was. Hij sprak dus zijn volgelingen op maaiveld toe, kreeg het landgoed Eerde kado en gaf het later toch maar weer terug aan de familie Van Palland. Na de afdaling van de Besthmenerberg komen we bij ‘De steile oever’. De Regge heeft daar de berg uitgeschuurd en dat levert een sprookjesachtig landschap op. De boerderijen op het landgoed Eerde zijn bijzonder fraai. De nieuwe ligboxenstallen hebben ook rieten daken. Op het moment dat we bij de slotgracht van het kasteel Eerde aankomen komt aan het begin van de oprijlaan onze Amerikaanse ‘schoolbus’ aan rijden. De chauffeur legt echter uit dat het eigenlijk om een arrestantenwagen gaat. De reputatie van onze wandelgroep is dus niet best. Om 16.30 uur zijn we terug bij ons hotel en zitten daar na te genieten met een drankje en een hapje. Vanavond dineren we vanaf 19.00 uur en daarna is er, voor wie wil, tijd voor spelletjes zoals scrabble en sjoelen. De avond vliegt op die manier om en om 24.00 uur is er champagne en vuurwerk en heffen we met elkaar het glas. Vrijdag 1 januari 2010 (16 km) Vandaag doen we alles een uurtje later en om 10.15 uur vertrekken we dus met enkele auto’s richting Varsen. De buurtschap Varsen ligt dicht bij de Vecht ter hoogte van Ommen. Het is een mooi gebied met prachtige (voormalige) boerderijen, grillige perceelsvormen, bosjes, mooie weggetjes, oude Vechtarmen en de nodige hoogteverschillen door de vele essen. Aan de rand van het Vechtdal liggen kamduinen die in vroegere tijden door opwaaiing vanuit het dal zijn ontstaan. Daarachter ligt de provinciale weg N340 waar Gerard het nodige over moet vertellen, want de herinrichting daarvan is momenteel zijn project. Bij congreshotel Mooirivier is er koffie met gebak. Je kijkt hier prachtig over het Vechtdal en er is inmiddels een waterig zonnetje bij gekomen zodat het er allemaal schitterend uit ziet. Gerard deelt een kaartje uit met de situatie rond 100 jaar geleden en de huidige situatie. Het gebied waar we ’s middags doorlopen was 100 jaar geleden één groot moeras. Nu noemen we het een ‘jong ontginningslandschap’. Het is rechthoekig ingedeeld en de watergangen zijn er kaarsrecht. Maar zeker met sneeuw erbij is ook dit landschap het aanzien waard. Het Varsenerveld waar we omstreeks 15.00 uur aankomen is nog een restant van het grote moeras. Anet, die er in de buurt woont en bioloog is, wacht ons daar op. Uit haar toelichting blijkt dat iedereen aan zo’n stukje natuur ‘zit te trekken’ en dat de ontwikkeling van het gebied afhangt van het al dan niet ingrijpen van de mens. Puur natuur? Vergeet het dus maar. Anet heeft nog een (dode) mannetjes sperwer bij zich. Zo’n beest zie je, als je geluk hebt, anders alleen maar voorbij flitsen. Om 15.45 uur zijn we weer terug bij onze auto’s. Zaterdag 2 januari 2010 (18 km) ’s Morgens rijden we eerst naar het NS station Dalfsen en nemen daar in de haast afscheid van Toos die nu al teruggaat naar Limburg vanwege andere verplichtingen. Wij lopen vandaag naar Vilsteren. Na een kwartiertje wandelen komen we langs een bosje met een dassenburcht (een andere dan de eerste dag). Daar blijken recent bomen gekapt en die liggen kriskras over (de uitgangen van) de burcht. Gerard is verontwaardigd en neemt er een paar foto´s van. We lopen afwisselend door bos en door meer open gebied en naderen uiteindelijk Vilsteren via een fraai aangelegd sterrebos. We lopen om het landgoeddorp heen en bewonderen o.a. de molen en het landhuis. In het landgoed(info)centrum staat koffie met krentenwegge klaar en we warmen ons aan het open haardvuur en een diapresentatie. Om 13.00 uur vertrekken we richting landgoed Hessum. Jhr. Maurits Von Martels ontvangt ons daar en vertelt ons geanimeerd een en ander over het landhuis en het boerenbedrijf dat hij runt met 80 stuks melkvee. Heer Von Martels is daarnaast ook nog raadslid te Dalfsen. Op verzoek demonstreert hij hoe de koeien gemolken worden. Je kunt in huize Hessum ook terecht voor ‘bed en breakfast’. Boven het koetshuis is hiervoor een mooie grote ruimte ingericht (zie www.landgoedhessum.nl). Via landgoed Rechteren, met fraai kasteel en slotgracht, gaan we weer richting NS-station Dalfsen. Na een kop koffie en soep gaan de laatste wandelaars omstreeks 17.00 uur met de trein moe maar voldaan huiswaarts. ‘s Nachts valt er weer een dik pak sneeuw en zijn al onze voetstappen uitgewist. Bericht geplaatst door Rowan Koster, in opdracht van Gerard van Weerd op dinsdag 5 januari 2010 Nederland ZUID-BEVELANDTOCHT (Zeeland), maart 2009 zaterdag 14 maart Het duurt even, voordat we met de eerste wandelkilometer kunnen beginnen. Omdat ons verblijfadres, hotel De Zwaan in Kapelle, niet bepaald aan de rand van een aantrekkelijk wandelgebied ligt. We moeten eerst per auto een afstand van 8 kilometer overbruggen. Vanuit ’s-Heer Abtskerke lopen we naar Nisse. Over rustige landbouwweggetjes en langs moderne laagstamboomgaarden. In de lunchroom annex bakkerij, zitten Jan en Aadje ons reeds op te wachten. Zij kiezen vandaag en morgen voor een wat kortere wandelafstand. Na de koffie met Zeeuwse bolus, komen we de eerste bomendijken, als “slingers in het landschap” tegen. Eens klotste het water van brede zeearmen tegen deze kronkelige verhogingen. Een enkele keer was de dijk niet stevig genoeg. Dan brak de dijk en stroomde het zoute water met kracht naar binnen. Vrijwel altijd werd de dijk hersteld en bleef er op de oude plek van de doorbraak een diepe kolk of weel achter. Een mooi voorbeeld hiervan is de Schouwersweel, die we voor en na het bezoeken van de schaapskooi passeren. In de schuur zien en horen we de schapen lopen. Personeel is nergens te bekennen; het bezoekerscentrum is gesloten. Wel staan er wat stoeltjes, zodat we redelijk comfortabel onze boterhammen kunnen opeten. De kerktoren van Nisse, half verscholen tussen hoge nog kale populieren, komt opnieuw in zicht. Het asfalt maakt even plaats voor grind en zand. zondag 15 maart Wederom verplaatsen we ons per auto naar het beginpunt van de wandeling. Ditmaal starten we in Oudelande. Met 13 personen. Want Mirka en Deborah zijn gisteren afgehaakt. Mirka had last van hevige migraine. Al snel lopen we weer op een bomendijk. Met aan weerszijden veel struweel, waar de eerste tjiftjaf zijn liedje laat horen. Verderop is het allemaal wat kaler. Hier hebben grote populieren plaatsgemaakt voor nieuwe boompjes. Met een grote bocht bereiken we Baarland. In een tuin staan protestborden. De bewoner, die buiten bezig is, is het duidelijk niet eens met de plannen om stukken polder langs de Westerschelde gedeeltelijk onder water te zetten. Aan zijn gezicht zie ik, dat hij ons ook wil overtuigen van zijn gelijk. Ik loop daarom maar snel door. Een paar deelnemers kunnen echter niet ontkomen aan zijn relaas. Zij moeten zijn verhaal aanhoren. In het westelijk deel van het dorp is onlangs een restaurant, “De Kleine Toren”, geopend in een voormalige gereformeerde kerk. We gaan naar binnen en laten ons de koffie met gebak goed smaken. Een bijzondere plek. Met een prachtige lichtinval. En stijlvol ingericht. In zuidelijke en later in westelijke richting gaan we verder. Zoveel mogelijk over dijken. Nabij Oudelande eten we in de volle zon de rest van ons lunchpakket op. De hoge en brede dijk van de Westerschelde komt dichterbij. Wel moeten we nog een paar keer met behulp van op- en afstapjes een stel hekken passeren. In Ellewoutsdijk kunnen we over de grote stroom kijken. We zien Terneuzen en verschillende zeeschepen. Een mooi besluit van een wandelweekend in een aantrekkelijk stukje Zeeland. Bericht geplaatst door Rowan Koster, algemeen coördinator op dinsdag 17 november 2009 Nederland TJONGERTOCHT (Friesland) Oldeberkoop e.o. Vrijdag 18 september 2009 (ca 17,5 km) We komen ’s ochtends bij elkaar in ons Hotel Lunia in Oldeberkoop. Het is een oude statige witte villa, die er prachtig uitziet met het stralende weer dat we dit hele weekend zullen hebben. Klokslag 10.30 uur vertrekken we, 16 ‘man’ sterk. Eerst enkele kilometers met de auto. Vanaf sluis 2 aan de Tjonger lopen we op de dijk ‘de wijde wereld’ in. Via een rug in het landschap, met stukjes bos die bij de ruilverkaveling gespaard zijn, komen we via een weiland (!) terecht op een boerenerf. De boer komt net uit de schuur en kijkt verwonderd naar ons groepje. Onze gids Gerard begint een gesprekje met hem, met als resultaat dat de boer niet boos wordt en ons vriendelijk een goede wandeling wenst. Aan de overzijde van de weg gaan we, net als vorig jaar, even naar binnen bij een kunstenares en bekijken haar zeer diverse werk. Na de koffiestop, op het terras van cafe restaurant Boszicht te Nijeberkoop, wandelen we langs het Diaconieven naar de Dellebuursterheide. Een prachtig gebied met weidse vergezichten en ‘wilde’ paarden en runderen. Na de wandeling eindigen we buiten op het terras van Hotel Lunia waar het nog goed toeven is. We kijken ook ‘mensjes’ want het bankpersoneel van de overkant komt hier bijeen om afscheid te nemen van enkele collega’s. Vanaf 19.00 uur genieten we van de maaltijd. Zaterdag 19 september (ca 21 km) Na een rondje om de kerk van Oldeberkoop en een korte bezichtiging van het interieur gaan we richting de Kiekenberg, een bos- en heidegebied in de buurt van het riviertje de Tjonger. Hier zijn vroeger rivierduinen ontstaan, waardoor het nu nog een erg afwisselend gebied is. Net als vorig jaar bekijken we een dassenburcht. Gerard wijst op de lange gegraven sleuf vanaf het hol het bos in: karakteristiek voor een dassenburcht. Vervolgens gaan we in een redelijk tempo richting Oudehorne. Precies om 11.00 uur arriveren we daar op de begraafplaats waar iemand van de klokkencommissie ons op een aardige manier in een kwartiertje de historie van de klokkenstoel en het Thomasluiden vertelt. Via het plaatsje Bontebok en de Compagnonsvaart (gegraven voor de afvoer van turf) lopen we naar Nieuwehorne en daar drinken we koffie met appelgebak. Gerard probeert daarna een nieuwe route uit. En dan weet je het wel, dan moet je over hekken en door weilanden. Maar wel mooi. Via sluis 1 passeren we de Tjonger en gaan vervolgens naar een kaasboerderij bij Oldeberkoop waar een pompoenenweekend wordt gehouden. Daar vermaken we ons een half uurtje, drinken een pilsje, eten wat kaas en kopen wat leuke dingen. Net als vrijdag eindigen we weer op het terras van Hotel Lunia met nóg een lekker stuk kaas. ’s Avonds onder de maaltijd vertelt Gerard onder hilarisch gelach hoe je bij de overheid bezig kunt zijn om één brief op tijd de deur uit te krijgen. Zondag 20 september (ca 18 km) ’s Ochtends uitchecken bij ons Hotel en dan met de auto’s een kwartiertje rijden naar het dorpje Mildam bij Oranjewoud. Oranjewoud is een bosrijk gebied met statige landhuizen. Het gebied wordt wel ’de Pronkzaal van Friesland’ genoemd. Eerst bezoeken we de ‘Ecokathedraal’ van filosoof en landschapsarchitect Louis le Roy. Bijzonder is het in elk geval. Door de bossen en houtwallen van Oranjewoud wandelen we naar het museum Belvedère. Dit museum, in de vorm van een (deels doorzichtige) grote doos, is over het Gran Canal (Prinsenwijk) gebouwd. We mogen er, na een mailverzoek van Gerard, bij uitzondering zonder entreekaartje voor het museum koffiedrinken. We genieten er van het prachtige uitzicht. Langs de landhuizen van de ‘oranjes’ gaan we richting de betonnen uitkijktoren van 30 meter hoogte met 102 treden. Een aantal waagt de beklimming en wordt beloond met een prachtig uitzicht. In Mildam eindigen we met een drankje en een kop soep en om 16.00 uur gaat ieder voldaan huiswaarts. Bericht geplaatst door Rowan Koster, in opdracht van Gerard van Weerd op zondag 25 oktober 2009 Nederland DELTATOCHT Zwartsluis e.o. Vrijdag 1 mei 2009 Iedereen is op tijd bij ons Hotel Zwarte Water te Zwartsluis, zodat we klokslag 10.30 uur de wandeling vanuit Zwartsluis beginnen. De deelnemers krijgen een overzichtskaartje met de wandelingen die we deze drie dagen doen. Zwartsluis ligt aan het Zwarte Water. Het Zwarte Water was ook voor Zwolle lange tijd de belangrijkste vaarweg. Zwartsluis is een echt Zuiderzeestadje en vroeger ook een vissersdorp. Vanuit deze havenstad ging er heel veel turf per schip naar West Nederland. Eigenlijk was dat destijds pure roofbouw die turfwinning, terwijl nu dat landschap ten noorden van Zwartsluis, de Wieden en de Weerribben, Nationaal Park is geworden! Het kan verkeren. Het is prachtig weer, mooier kan haast niet. Het eerste deel lopen we langs de uiterwaarden van het Zwarte Water, waar de nodige weidevogels te zien zijn. Vervolgens gaan we richting Zwartewatersklooster, een kleine buurtschap met mooie oude boerderijen en eendekooien. Vroeger stond er een klooster. Eén eendekooi wordt zo te zien gerestaureerd. We zijn al vroeg bij onze koffiestop: De Veldschuur. Op deze schuur, van Staatsbosbeheer en de plaatselijke natuurvereniging, staat op het rieten dak met grote letters: ‘Bid en werk’. We kijken uit op de Oldematen het gebied dat door de mensen uit Staphorst/Rouveen is gebruikt voor turfwinning. De dichtgegroeide veensloten zijn recent weer open gemaakt en het landschap is er weer net zo weids als vroeger. Na de koffiestop met lekkere ‘Veldkoek’ lopen we terug naar het Zwarte Water en vervolgens door het prachtige Hanzestadje Hasselt met z’n grachten, vele oude panden, fraai oud raadhuis en vispoort (met een kogel in de muur). Gerard vertelt dat de grachten weer bevaarbaar worden gemaakt voor grotere schepen. We lopen o.a. over een gloednieuwe ophaalbrug. Dit wordt betaald vanuit de gelden voor het Nationaal Landschap IJsseldelta. Er zijn in Nederland 20 Nationale Parken en 20 Nationale Landschappen. Bij Nationale Parken als de Wieden en de Weeribben gaat het om natuurgebieden. Bij Nationale Landschappen, als Nationaal Landschap IJsseldelta, gaat het om gebieden met kenmerkende landschapswaarden; gebieden met veel meer functies dan alleen de natuur, dus ook met landbouw, bewoning, etc…. In Nationaal Landschap IJsseldelta zijn de kenmerken van het landschap o.a.: kreken, terpen, kolken, dijken, openheid, geometrische structuur (polder Mastenbroek uit 1364). De polders ten noorden van Mastenbroek (Kampereiland, Mandjeswaard, polder De Pieper en de Zuiderzeepolder) hebben juist een grillige verkaveling en de terpen liggen er verspreid in het landschap. De oude stadskernen van Hasselt, Kampen en Zwartsluis zijn onderdeel van het Nationaal Landschap. Na Hasselt lopen we langs de zogenaamde Stenendijk. Iedere eigenaar moest een stukje van deze dijk onderhouden. Daardoor is een gevarieerde stenen muur ontstaan, die een aantal jaren geleden door het waterschap is gerestaureerd. We zien o.a. muurleeuwenbek en vogelmelk. Even later lopen we, nog steeds in de volle zon, langs een voormalig balkenloodsje van het waterschap. Onlangs gerestaureerd en van mooie picknickbanken voorzien. Tijd voor onze lunch die door Gerard wordt voorzien van een kopje hete bouillon met behulp van een meegebracht brandertje (experiment). Vervolgens gaat het langs de buurtschap Genne richting Zwolle langs de uiterwaarden van de Vecht. Bij de Agnietenberg steken we over met een pontje en vervolgens lopen we in straf tempo naar de bushalte. We hadden geen minuut later moeten zijn want dan hadden we de bus gemist. Binnen 25 minuten zijn we terug in Zwartsluis bij ons hotel en sluiten de wandeling daar af met een drankje op het zonnige terras aan het Zwarte Water. ’s Avonds genieten we van een goede maaltijd, waarbij je zelf alles moet halen en ter plekke vlees en vis voor jou worden klaar gemaakt. Zaterdag 2 mei 2009 Om 8.00 uur ontbijt en 8.50 wandelen we richting het haventje Panorama Charter aan de westzijde van Zwartsluis waar de fluisterboot van Natuurmonumenten (vaart op zonne-energie) klaar ligt om ons naar de zuiderzeepolder Mandjeswaard in Nationaal Landschap IJsseldelta te varen. Het is wederom schitterend weer. ‘Aan boord gaan’ doen we twee keer omdat Gerard wordt achtervolgd door een filmploeg die opnames maakt deze ochtend. De werkgever van Gerard, de provincie Overijssel, wil de medewerkers enthousiast maken voor de landschappen in Overijssel en maakt voor intern gebruik een film over medewerkers die iets met het landschap hebben. De zuiderzeepolders in dit gebied zijn ontstaan in het (zoetwater)deltagebied van de IJssel. De IJssel die vroeger zeven uitmondingen had, waaronder het Ganzendiep en De Goot. Zand en klei bezonken daar en er vormden zich eilandjes waar men zomers wat ging boeren; men ging de aanslibbing stimuleren en bouwde steeds meer dijkjes die de eilanden verbonden. Door periodieke overstromingen slibde er weer meer zand en klei aan en kwamen de eilanden er hoger te liggen en men bouwde er vervolgens terpen op om er permanent te kunnen blijven wonen. In de middeleeuwen vanaf 1364 heeft Kampen van de bisschop van Utrecht het recht gekregen op de nieuwe gronden. Daar plukken ze nog altijd de vruchten van. Vele overstromingen hebben het gebied en haar bewoners door de eeuwen heen getroffen en steeds weer veranderd. Bijzonder is dat men de vele hooibergen aan de noordwestkant van de boerderij bouwde. Bij storm kwamen er namelijk veel palen vanuit het eiland Schokland in de Zuiderzee (losgeslagen vanuit de gebouwde zeewering) richting het vaste land en deze sloegen bij de periodieke overstromingen dan tegen die hooibergen aan en niet tegen de boerderij. Varend over het Zwarte Water komen we langs het stadje Genemuiden waar 60% van de tapijtproduktie van Nederland plaatsvindt. Het is daar begonnen met biezenmatten, vervolgens kokosmatten (kokosvezels uit India) en later volgde de kunststof tapijtindustrie. Met de biezenteelt bevorderde je ook de bezinking van zand en slib (landaanwinning). We varen daarna via De Goot tussen twee polders door: links de polder De Pieper en rechts de polder Mandjeswaard. De Mandjeswaard is een oudere polder (eigenlijk een verzameling poldertjes) met de boerderijen op terpen. In de polder De Pieper zijn de boerderijen op maaiveld gebouwd na de afsluiting van de Zuiderzee door de afsluitdijk. Direct aan het begin, als we de Goot opvaren, ligt binnen de Mandjeswaard de polder De Heuvel, het grondgebied van één boerderij. Gerard vertelt over een bezoek dat hij eens bracht aan deze boerderij met zijn bejaarde bewoners (‘Noe werk ‘ie mie op ’t gemoed’). Het uitzicht vanaf de boot is prachtig en we genieten van de vele vogels, waaronder een Blauwe Kiekendief die heel erg wit is. Jolien ziet een groepje van 5 hazen die iets hebben met een Kievit. Onderweg leggen we nog even aan om de filmploeg de gelegenheid te geven ons ‘voorbij varend’ te filmen. Bij de ophaalbrug naar de Mandjeswaard leggen we aan bij een rietkraag waar we doorheen lopen en vervolgens kruipen we onder het prikkeldraad door om op de weg te komen. Even later pakkken we het Zuiderzeepad op (LAW) en lopen over een dijk door het weidse landschap waar (heel veel) paarden helemaal opgewonden (van ons?) door de wei galopperen. Mooie foto’s zijn het resultaat. Ons bakkie hebben we bij de cafetaria op/in Kamperzeedijk, op het terras. Vervolgens gaan we richting Genemuiden en lopen daar over de Achterweg met het bord ‘Verboden te roken’. Genemuiden kende vele stadsboerderijen met opslag van hooi, biezen en riet en brandde vele malen af. Aan de haven drinken we ons tweede kopje thee. Nadat we met de grote pont het Zwarte Water zijn overgestoken lopen we via een grasdijk langs het Zwarte Water terug naar Zwartsluis. Een aantal van ons duikt daarna het (binnen)zwembad in en de rest vertoeft wederom op het terras onder genot van een (wit) biertje of een wijntje. Zondag 3 mei 2009 Na ons ontbijt vetrekken we om 9.00 uur naar het Voorsterbos bij Kraggenburg. De Kadoelersluis wordt gerenoveerd, dus lopen we daar naar de overzijde. We wandelen een uur door het bos waar vroeger het waterloopkundig labaratorium was. Alle installaties worden nu overwoekerd door de natuur. Het bos wordt gesierd door veel witbloeiend ‘Look zonder look’. Vervolgens rijden we naar Schokland en worden daar allereerst ontvangen in het restauarant bij het museum. Als we vertrekken miezert het wat en er staat een aardig briesje. Daar krijg je wel een eiland-gevoel van. Op de noordpunt bekijken we de voormalige haven, best wel fotogeniek daar. Ook zien we er twee lepelaars. Die fourageren in het plasdras gebied dat hier de laatste jaren is gemaakt om te voorkomen dat Schokland steeds verder wegzakt. Sinds de Noordoostpolder er is, is het eiland al 1,5 meter gezakt doordat het veen in de ondergrond inklinkt door verdroging. Rond het middaguur arriveren we bij de Stenentuin met het fraaie informatiecentrum van het Flevolandschap. Komt mooi uit want het regent wat harder en nu zitten we lekker binnen onze boterham op te eten, waarbij sommigen van ons de informatieve films over Schokland bekijken. We vertrekken terwijl er een flinke bui valt. Maar even later wordt het steeds beter en komt zelfs de zon weer door. Mooie vergezichten met bloeiend koolzaad en boterbloemen. Op de zuidpunt zien we de ruïne van de kerk en lezen over de herbegrafenis van Schoklanders een aantal jaren geleden. Voor de oorlog had men hier voor wetenschappelijk onderzoek de skeletten opgegraven en meegenomen naar een universiteit (raciale achtergronden?). Om 14.30 zijn we al weer terug bij ons restaurant voor een drankje en de soep. Na een kort afscheidswoord gaat een ieder omstreeks 15.30 uur voldaan huiswaarts. Foto’s van deze Deltatocht vind je op: http://gmvweerd.skoozy.nl/main.php?g2_itemId=22880 Bericht geplaatst door Rowan Koster in opdracht van Gerard van Weerd op woensdag 6 mei 2009 Nederland Oud en Nieuwtocht 2008/2009 Lochem e.o. Dinsdag 30 december 2008, We verzamelen bij Hotel De Bakker te Vorden. Daar zitten om 9.45 uur al een stuk of zes wandelaars gereed, maar die blijken te wachten op de gids van reisorganisatie Travellers: Eduard Camping. De 18 wandelaars van Uniek zijn allemaal voor 11.00 uur gearriveerd zodat we precies op tijd van start gaan in een zonnige maar koude Achterhoek. Na 10 minuten lopen staan we voor het middeleeuwse kasteel Vorden, halverwege Pieterburen en Pietersberg, dus op het Pieterpad. Hier werd het Pieterpad 25 jaar geleden officieel ingewijd door de twee dames die de route hebben ontwikkeld. Hun voetstappen zijn er in beton gegoten. Omdat het cafe in Kranenburg om onbekende redenen is opgeheven is de wandelroute door onze gids Gerard van Weerd verlegd naar de buurtschap Linde met een echt klein gezellig buurtcafé: ’t Proathuus. Even opwarmen, o.a. met een saucijsje voor de liefhebbers, en dan weer verder naar de landgoederen Onstein en ’t Medler. Bij beide landhuizen zijn ze erg op hun privacy gesteld. Gerard legaliseert een deel van de tocht door verboden gebied, door een bordje ‘Streng verboden toegang’ eenvoudig om te keren. In de loop van de middag arriveren we bij het Pinetum De Belten met 1100 soorten coniferen en naaldboomsoorten. We tellen ze maar niet na. Door het bosgbied Groote Veld (waar ooit een oefenterrein voor Defensie was gepland!) komen we weer bij Vorden terecht. In een lang lint van auto’s rijden we naar Lochem en daar wacht ons een warme ontvangst in De Vijverhof door Ramon. De Vijverhof ligt er bij als in een sprookje, zo bij die grote vijver waar druk geschaatst wordt. ’s Avonds wordt ons geduld op de proef gesteld in een restaurant in Lochem. Gelukkig smaakt het prima. Woensdag 31 december, Oudejaarsdag 2008, We pakken ’s ochtends even 3 km de auto om aan de westkant van Lochem te komen. Bij het sportcomplex aldaar begint de wandeling richting Almen. Wederom is het zonovergoten en koud, maar helemaal windstil. Prachtig weer om te wandelen dus. We wandelen achter landhuis De Boekhorst langs van de bekende landbouwkundige Staring. Daar verrassen we een groepje reeën. Altijd weer mooi om te zien, al die witte spiegels achter elkaar. Door het bosgebied Dochterenseveld gaat het richting het bosgebied Warkenseveld met haar vele fraaie beukenlanen, van soms wel vier rijen naast elkaar. Op de achtergrond horen we steeds in de verte vuurwerk en carbid-gedonder. Dat hoort erbij op Oudejaarsdag. We steken aan de westzijde van Almen via een stuw de Berkel over en even later zitten we achter de oliebollen en appelflappen bij restaurant ‘De Hoofdige Boer’. De naam van dit restaurant komt uit een gedicht van Staring. Het gaat over een boer die niks moet hebben van een brug over de beek. Hij kan wel zonder die ‘nieuwlichterij’ en blijft met paard en wagen door de doorwaadbare plaats rijden. ’s Middags lopen we langs de Berkel en steken met een handbediend pontje over naar de Staringkoepel. Even later vertelt Gerard hoe Torenvalken een muizenprooi ontdekken: ze zien het ultraviolette licht in de urineplasjes van de altijd incontinente muizen. Sommigen geloven dit niet en gaan het thuis nog opzoeken. We gaan ergens dwars door een weiland en komen bij een landbouwschuur op de weg. Bij die schuur zien we iets merkwaardigs in de dakgoot: Over de verklaring voor dit (dode) natuurverschijnsel wordt de rest van de wandelingen druk gespeculeerd. Mooi op tijd, om een uur of vier, arriveren we weer bij De Vijverhof. Ramon serveert ons bitterballen (volgens Gerard zijn dat gewoon ronde kroketten). ’s Avonds breken we alle snelheidsrecords bij het Chinees Restaurant zodat we met gisteren erbij weer op de normale gemiddelde serveertijd zijn gekomen. Die avond wordt er druk gescrabbled en ondertussen naar Youp van ’t Hek gekeken. Het nieuwe jaar wordt ingeluid met een champagne toost. Donderdag 1 januari 2009, Nieuwjaarsdag, Iets later ontbijt en dan wandelen via de Lochemseberg richting Borculo. Bewolkt, maar droog weer en iets minder koud. De heuvels van de Lochemseberg liggen er prachtig bij, hier en daar wit alsof het gesneeuwd heeft. Gerard vertelt bij de Witte-Wieven-Koele de legende rondom deze dames. We versnellen daarop onze pas richting de Kale Berg waar we in een nieuwe prieel een boterham eten. Via een open ontginningsgebied (wat een kontrast met het heuvelland hiervoor) komen we in het gebied van het landgoed Beekvliet: een afwisselend gebied met bosjes, heidevelden en beekjes. We passeren het riviertje de Slinge bij Lebbenbrugge. Daar is ook onze koffiestop met krentenwegge, in de museumboerderij. We krijgen een toelichting en bezichtigen het museum. Langs de nieuw aangelegde meanders van de Slinge gaat het vervolgens naar het landhuis Beekvliet. Gerard last daar een stiltewandeling in om de ijsvogel te kunnen spotten. De stilte lukt, maar het spotten niet. Net voor Lochem passeren we De Cloese, een prachtig landhuis, waar vroeger de politieschool zat. Dan door het Lindenlaantje en we zijn weer bij De Vijverhof. ’s Avonds eten we bij de Italiaan. Daar legt Gerard uit waarom je nooit een groene auto moet kopen. Die loopt namelijk een grote kans te worden aangevallen door paarden, vooral in Noorwegen. Vrijdag 2 januari 2009, Het is droog en bewolkt weer als we ’s ochtends vertrekken. ’s Middags komt de zon erdoor. Vandaag staat landgoed Verwolde op het programma, met de Dikke Boom. Het ligt ten noorden van Lochem, in de buurt van Laren (Gld). Maar eerst passeren we landgoed Ampsen. Het bijbehorende landhuis zie je bepaald niet over het hoofd: zeer monumentaal. Gerard heeft met Jolien om 11.00 uur de koffiestop afgesproken bij de parkeerplaats bij het landhuis Verwolde. Omdat Jolien met de auto even de weg kwijt is, doen we eerst het lusje van de Dikke Boom. We vinden dat de boom er niet echt goed uitziet. Maar wat wil je na circa 450 jaar! Na de koffiestop met appelbeignets lopen we verder langs houtwallen en bosjes. Gerard denkt een ree te zien. We stoppen en ontdekken dat het er zes zijn, die heel stil bij elkaar staan in het bosje in de hoop dat wij hen niet zien. Als blijkt dat die hoop ijdel is gaan ze er in een ijltempo vandoor: een prachtig gezicht. Begin van de middag zijn we terug op De Vijverhof. Na een lekkere soep van Ramon en enige afscheidswoorden gaat een ieder voldaan huiswaarts. Fotoreportage, zie http://gmvweerd.skoozy.nl/album89 Bericht geplaatst door Rowan Koster, in opdracht van Gerard van Weerd Bericht geplaatst door Rowan Koster, in opdracht van Gerard van Weerd op maandag 19 januari 2009 Deltatocht 2008 Vrijdag 16 mei Zware bewolking hangt ’s ochtends boven Zwartsluis, maar het is nog droog. Om 11.00 uur vertrekken we vanaf ons hotel. We gaan via Zwartewatersklooster en het Hanzestadje Hasselt naar Zwolle. In Zwartewatersklooster zijn enkele mannen bezig bossen riet samen te binden, deels met een machine. De eendenkooien die hier liggen zijn hermetisch met prikkeldraad afgesloten. We vangen er een glimp van op. We stoppen bij de Veldschuur ‘Bid en Werk’ voor koffie met koek. We krijgen er gratis uitleg bij over de Olde Maten, het natuurgebied tussen Zwarterwatersklooster en Staphorst/Rouveen. Vroeger een gebied waar veen werd gewonnen. Ook krijgen we een lesje archeologie van de meneer die hier zo meteen een schoolklas ontvangt. Mooi meegenomen! De regenkleding gaat nu aan en dat blijft zo tot ver in de middag. Het stadje Hasselt met haar grachten oogst de nodige bewondering. Gerard wijst nog op een kunstwerk en belooft het bijbehorende gedicht ’s avonds voor te dragen. Langs de stenendijk gaat het verder zuidwaarts. In een schuur zoeken we onze toevlucht om onze lunch op te eten. Verder gaan we richting Zwolle langs de uiterwaarden van Zwarte water en later de Vecht, met prachtige vergezichten. Even een vervelend stukje langs een grotere weg en dan richting de Agnietenberg. Inmiddels is het droog geworden. We gaan op een heel mooi en intiem plekje met een pontje de Vecht over. In een straf tempo verder om precies om 16.43 bij de bushalte in Berkum bij Zwolle te arriveren voor de terugtocht per bus naar Zwartsluis. Gelukkig staken ze vandaag niet. Zaterdag 17 mei We vertrekken om 8.50 lopend naar een haventje aan de westzijde van Zwartsluis. Daar ligt een grote fluisterboot van Natuurmonumenten voor ons klaar. Het regent behoorlijk en het is nogal fris. Grotendeels binnen zitten dus en vandaar uit het landschap bekijken. Via Zwarte Water, Zwarte Meer, Goot en Ganzendiep arriveren we om 11.15 bij Kampereiland. Echt aanmeren gaat niet. We stappen een voor een uit de boot op de klep van het fietspontje dat daar aan de kant ligt. Tot veler verassing moeten we vervolgens met dat pontje nog oversteken naar de Mandjeswaard. Jan Jansen (echt waar) beklimt de ‘fiets’ op de pont warmee de aandrijving wordt geregeld. Het regent op dat moment bijna niet meer. Dan gaat het via een deel van het Zuiderzeepad naar Kamperzeedijk voor de koffiestop. De route loopt deels over grasdijken midden door het land. Veel weidevogels te zien. Vanaf de koffiestop gaat het steeds meer regenen. Langs de Veneriette (het afwateringskanaal voor de polder Mastenbroek) en de dijk langs het Zwarte Meer gaat het naar Genemuiden. We duiken nog even een café in voor een kop thee. Vervolgens met de pont oversteken en dan nog 2,5 km gaans naar Zwartsluis. Daar aangekomen genieten een aantal van ons nog van het zwembad in het hotel. Zondag 18 mei Na het maken van de groepsfoto vertrekken we om 9.15 met onze auto’s richting Voorsterbos bij Kraggenburg. Het is prachtig weer! Om 9.30 lopen we daar door het gebied van het voormalig waterloopkundig laboratorium. Allerlei waterwerken zijn hier in het klein uitgeprobeerd. Ze zijn nu deels overwoekerd door het bos. Bizar gezicht. Er blijken tot onze verassing ook allemaal kunstwerken te zijn opgesteld (officiële opening op 6 juni). We vinden het fascinerend. Zie de foto’s op http://gmvweerd.skoozy.nl/album78 .Om 10.45 gaan we per auto verder naar Schokland. Na koffie met heerlijk gebak in het restaurant bij het museum Schokland vertrekken we om 11.30 uur naar Oud-Emmeloord aan de noordzijde van dit voormalige eiland in de Zuiderzee. Onderweg vertelt Gerard over de geschiedenis van het eiland en de ontruiming in 1859. Overal staan veel informatieborden. Rond het eiland wordt het gebied steeds natter gemaakt om te voorkomen dat het eiland verder inklinkt en wegzakt. Gerard vergist zich nog in een pad zodat we een extra kilometer voor de ladder erbij krijgen. In de gesteentetuin is het voor de lunch goed toeven, en het informatiecentrum ziet er na een opknapbeurt perfect uit. ’s Middags bereiken we het zuidelijke puntje van het eiland. Om 15.00 uur zijn we terug bij ons beginpunt voor de soep en het afscheid. Bericht geplaatst door Rowan Koster, in opdracht van Gerard van Weerd op vrijdag 6 juni 2008 Tussen de Grote Rivieren Loevesteintocht; zaterdag 22 en zondag 23 september 2007 zaterdag In het vestingstadje Heusden treffen wij elkaar. Het is lekker weer, zodat we op het terras van ons hotel “In den Verdwaalde Koogel” aan de Vismarkt kunnen beginnen met een kop koffie of thee. Het historische pand is inderdaad ooit getroffen door een zwaar rond voorwerp, getuige de “bobbel” , helemaal boven in de voorgevel. Het noordwesten van de Bommelerwaard staat voor de eerste dag op het programma. Om de wandelafstand niet boven de 20 kilometer te laten uitkomen, gaan we eerst een stuk met de lijnbus. Die brengt ons helaas niet verder dan de rand van Wijk en Aalburg. Een klein groepje kan nog wel mee met de buurtbus, maar de meesten van ons, moeten de vier kilometer naar de veerpont over de Afgedamde Maas te voet overbruggen. Dus gelijk al een overschrijding van de “magische 20 kilometergrens”. Want na de koffie met “iets erbij” in een klein cafeetje op de dijk in Aalst, wachten nog meer dan 16 kilometers op ons. Merendeels over rustige en wat minder rustige dijken. Langs kassen en door een prachtig bos aan de rand van Brakel. Waar niet alleen veel essen, kastanjes en aronskelken (rode bessen) staan. Maar ook een ruïne in een gracht. Een ommuurde moestuin, een landhuis en een grote boomgaard. Even later lopen we op de brede Waaldijk. We kijken uit over sportvelden en we zien de brede, druk bevaren rivier. We lopen met de stroom mee naar het westen. Waar de dijk een scherpe bocht naar links maakt, gaan we schuin naar beneden. We stappen het prikkeldraad over en vervolgen onze weg over een kleipad. De torentjes van kasteel Loevestein komen steeds dichterbij. Alhoewel we steeds stevig hebben doorgelopen, zijn we net te laat binnen, om nog met een rondleiding door de voormalige staatsgevangenis mee te kunnen gaan. We strijken daarom maar neer op de brede houten banken nabij de grote kastanjeboom en bestellen een drankje. Een smal pad brengt ons naar de plek, waar eertijds de Maas in de Waal stroomde. Aan de overkant ligt Woudrichem, dat we met een klein bootje bereiken. In Heusden zitten we om half acht aan tafel, voor het driegangen diner. Het wordt een lange zit. Meer dan een uur zit er tussen de soep en het hoofdgerecht. zondag Voordat we Heusden verlaten, brengen we eerst een bezoek aan de vestingwallen. Deze dateren uit de zestiende en zeventiende eeuw. Toen was Heusden een militair bolwerk met brede grachten, bastions, ravelijnen en poorten. In de loop van de twintigste eeuw dreigde Heusden zijn oorspronkelijke karakter te verliezen. De meeste grachten waren gedempt en in het centrum wilde men graag nieuwe huizen neerzetten. Eind jaren zestig kwam de ommekeer. De plaats Heusden werd grondig gerestaureerd en werd een toeristische trekpleister. De speeltuin op het “eiland Nederhemert” trekt een minder grote schaar toeristen. En dat is maar goed ook, want rust en oorspronkelijkheid zijn de grote troeven van deze bijzondere uithoek van Gelderland. In een mooi bos ligt een imposant kasteel, dat tot voor kort nog een bouwval was. In de schaduw van de grote kastanjebomen, met uitzicht op spelende kinderen, drinken we koffie. Het waait een beetje, waardoor er af en toe kastanjes uit de bomen vallen. Vooral Joop moet het ontgelden, een flink exemplaar komt precies op zijn hoofd terecht. Aan de andere kant van de Bergsche Maas eten we op de dijk onze lunch op. Daarna gaan we snel verder richting Hedikhuizen en Haarsteeg. Net voorbij Hedikhuizen staat een klein kerkje aan de voet van de oude Maasdijk. Binnen liggen (kunst)voorwerpen van Indianen uit Noord-Amerika uitgestald. Een eindje verderop langs de dijk, blinkt het water van een van de diepste wielen van Nederland ons tegemoet. We lopen er met een boog omheen. En dan tot slot nog zo’n vijf kilometer door open land. Lange rechte wegen en in de verte de “skyline” van Heusden. Bericht geplaatst door Rowan Koster op vrijdag 6 juni 2008 DUITSLAND TEUTOBURGERWALDTOCHT Pasen 2008 Pasen viel vroeg dit jaar. En dat hebben we geweten! Het was koud en we werden regelmatig getrakteerd op (natte) sneeuwbuien. Maar tegelijkertijd hebben we ook in de zon gezeten en hebben we genoten van strakblauwe luchten en prachtige vergezichten. De Hermannsweg was de rode draad tijdens onze TEUTOBURGERWALDTOCHT. Regelmatig kwamen we deze bekende wandelroute tegen, als we vanuit ons hotel in westelijke of oostelijke richting liepen. De omgeving van Tecklenburg heeft echter meer te bieden dan een langgerekte beboste heuvelrug. Het cultuurlandschap aan weerszijden is ook de moeite waard. Vanwege de fraaie vakwerkboerderijen, de houtsingels, de bosjes en verschillende vijvers. En neem Tecklenburg zelf, een juweeltje met zijn torens, klinkerstraatjes, ruïne en koopmanshuizen. Ten slotte mag niet vergeten worden, dat we tijdens het lopen onze buikjes rond konden eten met geweldige stukken taart. Vooral in het Ringhotel in Brochterbeck, waar we twee keer gezeten hebben, was het feest. Als ik me niet vergis, konden we kiezen uit acht verschillende soorten gebak. zaterdag 22 maart. Op de eerste dag hebben we de beklimming van de heuvelrug uitgesteld tot na de koffie. We zijn in het “voorland” gebleven. We passeerden het voormalige treinstation van Tecklenburg en zijn daarna ongeveer evenwijdig aan de spoorlijn naar Brochterbeck gelopen. Met een stevig stuk taart in de buik zijn we naar 150 meter geklommen, waar we de Hermannsweg “oppikten” en in een kaarsrechte lijn naar de Bismarckturm aan de rand van Tecklenburg gelopen zijn. Tussen een aantal villa’s door zijn we weer afgedaald. Naar een van de laagste plekken van de streek, het waterkasteeltje ‘Haus Mark’. Direct ten zuiden van dit van oorsprong veertiende eeuwse pand, ligt een strook met kalk in de ondergrond. Aan de bosflora is dit gelijk te zien. Onder de bomen staan heel veel bosanemonen en hier en daar ook sleutelbloemen, bosviooltjes en longkruid. We komen weer in open gebied en zien weldra de huizen van het buurtschap Wechte, waar ons hotel staat, opdoemen. zondag 23 maart, Eerste Paasdag Na het paasontbijt werden we, terwijl we via een smal asfaltweggetje omhoog liepen, opnieuw geconfronteerd met grote aantallen eieren. Ditmaal van chocolade en voorzien van felgekleurde verpakking. Ondergetekende kon het niet nalaten, om een enkel eitje mee te nemen. Een kort bezoekje aan de Hexenküche (zandsteenformatie), het openluchttheater en de historische binnenstad van Tecklenburg hadden we er toen al opzitten. Voorbij de snelweg Munster-Osnabruck, kwamen in een golvend landschap terecht met hier en daar een boerderij, akkers, weilanden, flinke stukken bos en mooie wijdse panorama’s. Ondermeer in zuidoostelijke richting, waar de heuvels van het Teutoburgerwald een stuk hoger zijn. In het dorpje Leeden hadden we de koffiestop. In een grote zaal vlakbij de kerk en de restanten van het cisterciënzerklooster. maandag 24 maart, Tweede Paasdag Een paar maal had ik reeds de bezichtiging van het “Hockendes Weib” in het vooruitzicht gesteld. Vandaag was het zover. We moesten er flink voor klimmen. En een enkele sneeuwbui trotseren. Iets voorbij een soldatenkerkhof kwam ze eindelijk in zicht. Een grote rotsformatie met enkele dennen erop, aan de rand van een steile helling. En ja, als je heel goed keek, kon je er een gehurkte vrouw in zien. In de beschutting van haar “achterwerk” hebben we ons lunchpakket opgegeten. Daarna zijn we afgedaald en konden we vanuit een veel lagere positie nog eenmaal de “gehurkte vrouw” aanschouwen. Op weg naar Brochterbeck hebben we even een kijkje genomen bij een oude kalkoven. Juist op dat moment trok de lucht helemaal dicht en begon het hevig te sneeuwen. Wij stonden droog en konden in alle rust de neerdalende vlokken gadeslaan. Niet veel later brak de zon door en begon de versgevallen sneeuw in snel tempo te smelten. Na het centrum van Brochterbeck (met watermolen en grote vijver) hadden we overwegend de wind mee in het vlakke en vrij kale cultuurland. Via smalle asfaltweggetjes bereikten we Gasthof Prigge. dinsdag 25 maart Tijdens de laatste dag, liepen we via het stadspark van Tecklenburg naar het Staatsforst Münster-Sundern, waar beuken de overhand hebben. Kort voor het dorpje Ledde kwamen we een “Trettbecken” in de beek tegen. Kuurgasten lopen hier rondjes in het water. Eventueel kunnen ze zichzelf ook even helemaal onderdompelen. Wij kregen het echter ook zwaar te verduren. Op weg naar het volgende Staatsforst (Habichtswald) moesten wij tegen een koude wind opboksen, terwijl de zon ons door de oprukkende bewolking steeds meer in de steek liet. We hielden het nog lange tijd droog. Totdat vlak voor het einde een woeste sneeuwbui wraak op ons nam. Met het hoofd schuin omlaag, dwars tegen de wind in, probeerden we door te lopen. Recht vooruit kijken was bijna niet mogelijk; binnen de kortste keren zaten je ogen vol met sneeuw. Als witte “Michelin-poppetjes” stapten we de binnenplaats op. Binnen konden we bijkomen en genieten van warme soep. Een bijzonder Paasweekend in een indrukwekkende omgeving. Bericht geplaatst door Rowan Koster op zaterdag 10 mei 2008 NEDERLAND Kersttocht Rijk van Nijmegen 2007 Met negentien mensen beginnen we op maandag 24 december aan onze eerste wandeling. Jan Sweris, die als gids bij UNIEK Voettochten werkzaam is, loopt voor de aardigheid een dag mee. Olga Visser kan zich nog net op tijd bij de groep voegen. We waren al een stukje op weg. Naar het centrum van Groesbeek. Buiten het dorp komen we in het open gebied van Klein Amerika terecht. Tot in de twintiger jaren waren de heuvels met bos bedekt. Nu kun je ver om je heen kijken. Ondermeer naar de heuvels van het Reichswald. Wij gaan echter de andere kant op. Naar de Mookerheide. In Plasmolen wacht de koffie met “iets erbij” op ons. Zoals wel vaker, moeten we die eerst verdienen. Dus geen vlakke route, maar een steile klim naar boven naar een fietspad aan de rand van het Zevendal. En daarna pas naar beneden, naar het Maasdal. Aan de voet van de Sint-Jansberg is het op veel plaatsen vochtig. Er ontspringt een beek, die langs een paadje naar een watermolen stroomt. Of beter gezegd, een door mensen opgeworpen aarden wal zorgt ervoor, dat het water niet direct de kortste weg naar beneden kan nemen. Ook de drie meertjes, waar we even later langs lopen, zijn kunstmatig. Ze hoorden bij een landhuis hoger op de stuwwal. Het eens zo statige pand, staat er al lang niet meer. Wel is een stukje van de tuinmuur intact gebleven. En staan er een stel grote parkbomen. Waaronder een ceder. Vanuit “De Diepen”, een wat lager gelegen landbouwgebied kunnen we mooi terugkijken op de zwaar beboste flanken van de Sint-Jansberg. Wat verder naar rechts begint het Reichswald. Zonder problemen passeren we de grens. We klimmen een stukje naar boven en dalen geleidelijk af naar Grafwegen, waar we nog even pauzeren bij een speeltuintje met schuilhut. Weer terug op eigen bodem moeten we ons nog haasten. De lijnbus van Breedeweg naar Nijmegen staat op het punt om te vertrekken. Op dinsdag 25 december, Eerste Kerstdag, zetten we opnieuw koers naar het zuidwesten. Ditmaal blijven we wat meer in het bos. Halverwege Groesbeek en Mook, in het uitgestrekte buurtschap Bisselt, strijken we neer in restaurant ’t Zwaantje voor koffie met gebak. Binnen is het gezellig druk. Het etablissement is sfeervol ingericht. Met veel groene en kale takken en zilverkleurige linten. Fel gekleurde lampjes en blikkerige muziek ontbreken. Weer buiten, moet de snoeischaar van de reisleider er aan te pas komen. Een smal paadje tussen de paardenweitjes door is nog maar net begaanbaar. Laaghangende takken versperren menigmaal de doorgang. Vlak voor de Mookerschans kan een deel van de groep een paar “klompjes” heksenboter van dichtbij bewonderen. In het winterse bos stuit je immers niet vaak op deze fel geel gekleurde paddenstoel. De Mookerschans is een vierkant verdedigingswerk uit de zeventiende eeuw. De iets verder op een heideveld gelegen stervormige Heumense Schans stamt uit dezelfde tijd. Veel jonger is het Jachtslot Mookerheide. In 1903 werd op korte afstand van Molenhoek de eerste steen gelegd. In opdracht van Luden van Heumen, een man van aanzien en zeer vermogend. Hij was echter snel door zijn geld heen, want hij hield van feestvieren. Avond na avond. Wij laten ons niet tot een high tea verleiden. We werpen alleen een blik naar binnen en houden de portemonnee dicht. We zoeken de rust van de bossen weer op. Via de Mulderskop komen we op het landgoedje de Hoge Hoenderberg, waar we ons een weg moeten banen tussen de rododendrons. De laatste kilometers gaan door boswachterij Groesbeek. De Duivelsberg en andere heuvels van de Nijmeegse stuwwal staan voor vandaag, Tweede Kerstdag, op het programma. Op weg daar naar toe, gaan we al menigmaal naar boven en beneden. Via smalle en brede paden. Op verschillende plaatsen zijn die glad. Door de combinatie van miezerregen, löss in de ondergrond en steile hellingen. Gelukkig knapt het weer snel op en kunnen we steeds meer zien van de omgeving. Zoals een stuk van de Duffelt en de Ooijpolder, twee open landbouwgebieden aan de voet van de Duivelsberg. Rondom deze 80 meter hoge heuvel wemelt het van de tamme kastanjes. Een overblijfsel van de Romeinen. Zij namen vanuit het zuiden kastanjes mee en stopten ze overal in de bodem. Net boven Beek komen we een “oude grenspaal” tegen. Tot 1945 liep Duitsland een paar kilometer in westelijke richting door. Na de oorlog hebben we er, als gevolg van een grenscorrectie, een prachtig dunbevolkt natuurgebied bij gekregen. En in tegenstelling tot de gebieden Elten en Tüddern, hebben we de Duivelsberg, het Filosofendal en andere leuke plekjes nooit meer teruggegeven aan onze oosterburen. Voorbij de paal kom je overal grote villa’s op de helling tegen. Mensen met een goed gevulde beurs streken hier vanaf het begin van de twintigste eeuw neer. En ook ondernemers in de recreatie- en zorgsector zagen wel brood in de stuwwal met zijn spectaculaire vergezichten. Vlakbij Golden Tulip Hotel Valmonte in Berg en Dal, waar we de koffiestop hebben, kun je bijvoorbeeld Persingen en Arnhem in de “diepte” zien liggen. Wij dalen echter niet af. We blijven op het zand. En in het bos. Een zandafgraving, enkele paardenweitjes en een heideterreintje, genaamd “De But” zorgen voor wat afwisseling. Het oosten hebben we nog niet verkend. Daarom gaan we op donderdag 27 december naar Kranenburg. In een vrijwel rechte lijn. Langs een voormalige spoorlijn. In het centrum van het stadje, in een konditorei, doen we ons tegoed aan een flink stuk gebak, dat we zelf mogen uitkiezen. De keuze is enorm. Met een goed gevulde maag lopen we naar buiten. We bekijken de Wallfahrtskirche van binnen en gaan dan via smalle landbouwweggetjes en graspaden naar de zoom van het Reichswald. We pakken een klein stukje van dit grote boscomplex (circa 17 bij 6 kilometer) mee. Op de kaart staan heel veel paden ingetekend, maar in werkelijkheid zijn sommige paden moeilijk terug te vinden. Omdat ze overwoekerd zijn met bramen of bedolven zijn met omgewaaide bomen (storm van januari 2007). Wij doen als groep een dappere poging, om een smal paadje weer wat toegankelijker te maken. Er worden stengels afgeknipt en we kruipen onder stammen door. Op de Brandenberg bij een piepklein heideveldje met jeneverbessen kunnen we even bijkomen. Terug in Nederland bezoeken we een heel ander gebied; het moerasgebied De Bruuk, dat in een kom ligt. In juni bloeien hier tal van orchideeën. In de winter is daar natuurlijk niets meer van terug te vinden. Wel kunnen we aan de verschillende tinten groen en bruin zien, dat we niet zomaar bij een stel graslanden staan. Bovendien staat het water in de sloten heel hoog. Groesbeek is nog net iets te ver weg om te lopen. We besluiten daarom om in De Horst de bus te pakken. Zodat we ruim voor het invallen van de schemering met de soep in hotel De Oude Molen kunnen beginnen. Bericht geplaatst door Rowan Koster op donderdag 24 januari 2008 SPANJE La Palma, april 2007 vrijdag 20 april Het is nog vroeg op de ochtend, als de wielen van het vliegtuig het asfalt van de landingsbaan raken. We zijn op “La isla verde”, het groene en gevarieerde eiland La Palma. In het hotel La Palma Romantica, dat zijn naam eer aandoet, is het ontbijtbuffet nog niet opgeruimd. We kunnen even aansterken en daarna met de eerste wandeling beginnen. Een tocht naar de kust, 650 meter naar beneden. Voornamelijk over asfaltwegen, maar ook een stuk over een hobbelig, sterk dalend, paadje. En halverwege komen we vast te zitten in een bananenplantage. Een groot hek, dat op slot zit, verspert ons de doorgang. Gelukkig vindt de reisleider een klein deurtje in een hoog scherm, dat wel open kan. Gauw gaan we verder naar La Fajana, een buurtschap met een camping, een café en een paar zwembassins. We bestellen een drankje en genieten van het uitzicht over de oceaan. Met een aantal taxi’s gaan we weer terug naar ons hotel in het buitengebied van Barlovento. zaterdag 21 april Vandaag staat de “Kloventocht” op het programma. Tussen Barlovento en Franceses komen we maar liefst zes barranco’s tegen, waar we niet omheen kunnen. Steeds moeten we steil afdalen, om de bodem van de kloof te bereiken. Daar kunnen we dan even op adem komen, om vervolgens zo’n 50 tot 350 meter te klimmen. Geen barranco is overigens hetzelfde. In de Barranco de Gallegos komen we bijvoorbeeld geiten tegen. En in de Barranco de Franceses zien we aan onze rechterhand het blauwe water van de oceaan. Het is een hele klus, om deze laatste barranco weer uit te komen. In de felle zon klauteren we moeizaam naar boven. Eerder op de dag, hebben we in Gallegos de koffiestop gehad. Met een broodje er bij. zondag 22 april Na de zware wandeling van gisteren, doen verschillende deelnemers het wat rustiger aan. Na het stuwmeer, dat een grote betonnen bak blijkt te zijn met een lelijk hekwerk er omheen, splitst de groep zich. Met negen personen “duiken” we het nevelwoud van Los Tilos in. Laurierbomen met donkergroene bladeren staan hier dicht opeen. Op de bodem komt nauwelijks licht. Het pad is goed begaanbaar. En veel minder glibberig dan verwacht. We zijn dan ook zo beneden, waar we tussen het dichte groen het restant van een huis, een kiepwagonnetje en de ingang van een oude tunnel ontdekken. Een grindweg voert ons het dal weer uit. Steeds vaker zien we de zon door de bomen schijnen. De lucht wordt droger en ineens zijn alle laurierbomen verdwenen. We lopen weer in een “gewoon” dennenbos. Bij de Mirador del Topo de las Barandas (uitzichtpunt) eten we ons brood op. Daarna is het nog maar een klein stukje naar Los Sauces. Onderweg pakken we een stuk muilezelpad mee. Over dezelfde hobbelige stenen sjokten in het verleden de beesten met hun zware vracht. In het centrum van Los Sauces is er eindelijk koffie. Met iets van een cakeje erbij. Juist als we willen overgaan op bier en fris zien we een aantal andere deelnemers uit de taxi stappen. “Dames kom er gezellig bij zitten!” “We zijn er inderdaad al.” “De wandeling viel wel mee.” Een klein uur later stappen we met ons allen in de lijnbus, die ons weer terugbrengt naar Barlovento. maandag 23 april Hoewel La Palma slechts 40 kilometer lang en maximaal 25 kilometer breed is, is het nog een flinke rit, om van de noordoostkant naar de westkant van het eiland te komen. Steeds moeten er hoogteverschillen overbrugd worden, waardoor rechte stukken weg een zeldzaamheid zijn. Op voorstel van de oudste chauffeur, rijden we via de “bergroute” richting Garafia. Een smalle weg. Gelukkig zijn er niet veel tegenliggers. Twee keer rijden we door een tunnel. Om ons heen dennenbos en in de verte het blauwe water van de oceaan. Vanaf Puntagorda wordt het wat drukker op de weg. Niet verwonderlijk, want we rijden hier op 600 meter hoogte. De zone, waar de meeste dorpen liggen en diverse gewassen worden verbouwd, waaronder bananen en avocado’s. Een kleine 10 kilometer voor Los Llanos moeten we nog door de diepe Barranco de las Angustias. We stoppen eerst even, om vanaf het terras van een restaurant de stad en een groot deel van de dichtbevolkte westkust te aan-schouwen. Bij het appartementencomplex “Dona Paquita” zijn de meeste kamers reeds op orde. Een deel van de bagage wordt uitgepakt en vervolgens gaat iedereen op verkenning uit. Het centrum ligt op loopafstand. Er zijn een paar autovrije winkelstraten en er is een gezellig langgerekt plein, waar het heerlijk toeven is op een terrasje in de schaduw van een paar grote laurierbomen. Aan de noordzijde van het plein staat ook de hoofdkerk van Los Llanos met een niet onaardig interieur. dinsdag 24 april Opnieuw gaan we door de Barranco de las Angustias, de uitgang naar de oceaan van de Caldeira de Taburiente. In het winterhalfjaar stroomt er wel eens een grote hoeveelheid water door. Meestal blijft de bodem droog, omdat vrijwel al het water, dat uit de centrale krater van La Palma komt, via pijpleidingen naar de bewoonde wereld wordt getransporteerd. Vlak voor Tijarafe slaan we rechtsaf. En begint de weg behoorlijk te stijgen. De taxi’s klimmen zonder problemen naar boven. Uiteindelijk stoppen we op 900 meter hoogte op een plek, die met Cruz de Llano wordt aangeduid. Vroeger hebben hier meer mensen gewoond, getuige de restanten van huisjes, verwilderde akkers en boomgaardjes om ons heen. Over een smal pad, dat grotendeels onder Canarische dennen door loopt, gaan we naar de rand van de grootste vulkaankrater van Europa, de Caldeira de Taburiente. Daarvoor moeten we even op en neer lopen naar de Torre el Time, een brede hobbelige weg, die nabij de Torre wordt voorzien van een verharding. De “beschaving” rukt steeds verder op. Een mannetje wijst de wandelaars de weg. “Eerst over het grasveld en dan door de (prikkel)struiken.” Nadat we van het uitzicht hebben genoten, dienen we nogmaals de “omleiding” te volgen. Dan begint de lange afdaling. Van minimaal 700 meter. Steeds lijkt het, of er iemand achter je loopt, die tegen je rugzak duwt. In eerste instantie plezierig, maar op de lange duur vermoeiend. Met name voor je knieën. Leuk is het, dat het pad overwegend smal blijft. Af en toe lopen we bijna door de achtertuinen van oude en nieuwe villa’s. Hier willen de mensen wel wonen. Waarschijnlijk zitten er ook veel buitenlanders tussen, die nog niet zo lang geleden op La Palma een tweede woning hebben gekocht. Ditmaal is er wel tijd, om op het terras van Mirador el Time een kopje koffie te drinken en een (duur) stuk gebak te eten. Daarna splitst de groep zich in tweeën. R., M., P., N., T. en ondergetekende gaan de uitdaging aan: afdalen tot zeeniveau. Via een geplaveid pad, dat zigzaggend naar beneden loopt, bereiken we het strand van Puerto de Tazacorte. Met de lijnbus komt iedereen weer terug in Los Llanos. woensdag 25 april La Palma is het eiland van de contrasten. De zuidpunt heeft een heel eigen karakter. Ten zuiden van Fuencaliente overheersen bruine en zwarte tinten. Begroeiing in de vorm van struiken en/of bomen is er nauwelijks. Zeker niet in een wijde straal rondom de Teneguia, de vulkaan, die in 1971 is uitgebarsten. De meesten van ons lopen naar de top. Aan de zuidoostkant van de Teneguia ligt een met stenen omzoomd pad, dat in een vrijwel rechte lijn naar de vuurtoren loopt. Het einddoel van de wandeling. Hier drinken we wat bij een eenvoudig restaurant. Paul en ik maken tevens van de gelegenheid gebruik, om een stukje in de Atlantische oceaan te zwemmen. De lijnbus brengt ons met een grote boog weer terug naar Fuencaliente. Eerst rijden we vlak langs de oceaan naar het noorden. Aan weerszijden van de weg strekken zich alleen maar bananenplantages uit. Totdat uit het niets een groot luxueus “resort” opduikt. Een gloednieuw complex met statige oprijlaan, heel veel appartementen en een waanzinnig groot buitenbad. donderdag 26 april Op dinsdag hebben we reeds een blik in de Caldera de Taburiente mogen werpen. Vandaag kunnen we uitgebreid naar beneden kijken terwijl we ons puffend een weg naar boven banen. Vanuit het uitzichtpunt “La Cumbrecita” zijn we via een onlangs geopend voetpad op weg naar de 1852 meter hoge Pico Bejenado. Eerder op de dag zijn we met de lijnbus naar het bezoekerscentrum gereden. Eigenlijk wouden we naar de centrale bergkam van het eiland; de Cumbre Nueva. Maar daar hebben we wijselijk van afgezien. Want rechts van ons is alles in wolken gehuld. Bovendien waait er vanuit het oosten een harde en frisse wind. Nabij de Caldera de Taburiente is het zicht goed. De lucht is blauw en de zon schijnt volop. Na de lunchpauze ben ik in gezelschap van vijf deelnemers nog zo’n 100 meter omhoog gegaan. Helemaal boven konden we even de bodem en de noordhelling van de krater zien. Daarna ging het “gordijn” dicht. Alleen nog maar nevel om ons heen. De terugtocht naar het bezoekerscentrum duurde lang. We moesten door een dennenbos, waar geen eind aan leek te komen. vrijdag 27 april Aangezien we pas ’s avonds met het vliegtuig huiswaarts keren, kunnen we ’s morgens nog volop de benen strekken. Dat doen we in de omgeving van San Nicolas en Jedey. Iets ten noorden van eerstgenoemde plaats bekijken we de pikzwarte lavastromen, die in 1949 langzaam de helling afstroomden richting zee. Aan de rand van de brede onbegroeide strook staat een kapel, die 58 jaar geleden keurig is blijven staan. Dankzij de invloed van een hogere macht? Om ons heen wemelt het van de vulkanen. Vrijwel elke heuvel heeft een (half ingestorte) krater. Geologisch gezien helemaal niet verwonderlijk, want dit deel van La Palma is slechts een paar honderdduizend jaar oud. Het laatste “ommetje” blijkt behoorlijk pittig te zijn. We ontkomen niet aan een fikse klim. En als je eenmaal op hoogte bent, moet je weer naar beneden. Via een breed pad met heel veel haarspeldbochten. Waardoor het dorp Jedey, dat we beneden zien liggen, maar heel langzaam dichterbij komt. We dreigen zelfs de lijnbus naar Los Llanos te missen. We versnellen en zijn gelukkig nog op tijd bij de halte. In ons vertrouwde restaurant El Hidalgo genieten we van een uitgebreide lunch (o.a. salades en tapas). Daarna kunnen we zo de taxi instappen. Ruim op tijd zijn we op het vliegveld. Helaas kunnen we niet op de gebruikelijke tijd vertrekken. We moeten wachten. Op Schiphol loopt ook niet alles op rolletjes. We krijgen van de Koninklijke Marechaussee te horen, dat we de ruimte, waar de bagagebanden zich bevinden, moeten verlaten. Gelukkig hebben de meesten van ons dan al hun koffer. Een merkwaardig einde van een verder heel goed verlopen reis. Bericht geplaatst door Rowan Koster op vrijdag 9 november 2007 NEDERLAND Kootwijktocht; zaterdag 1 en zondag 2 september 2007 Met een klein groepje mensen liepen we om 10.40 uur het dorp Kootwijk uit. Op weg naar de eerste zandverstuiving. Waar we kennis maakten met de kleine blauwgroene polletjes van het buntgras. Na de spoorlijn en de snelweg gepasseerd te hebben, werden we opnieuw geconfronteerd met lawaai. Een legerhelikopter draaide rondjes boven ons hoofd. Terwijl we net de prenten van een stel reeën aan het bestuderen waren. In Garderen streken we neer op het terras van restaurant “De Bonte Koe”, om de welbekende koffie met iets erbij te nuttigen. We konden kiezen uit vlaai met rode vruchten of appelgebak. De boterhammen bleven daardoor nog maar een tijdje in de rugzak. Pas bij het “Loofles”, een langgerekt ven, werden ze alsnog verorberd. Een wandeling langs het “Gat van Zus” en een busritje hadden we er toen al op zitten. Wat ons nog restte, was een tocht door een uitgestrekt dennenbos en een bezoek aan de uitkijktoren aan de rand van het Kootwijkerzand. Vanaf de derde “verdieping” zagen we in de verte “de kathedraal” liggen en vlak voor ons het geelwit opblinkende zand en de paarse heide. De volgende dag gaan we met ons negenen het zand op. En een klein katje vindt ons ook wel aardig. Hij of zij weet echter nog niet dat we de hele dag gaan wandelen. Tot de koffiestop in Assel is het 7 kilometer. Bijna te ver voor het wezentje op vier poten. Net voor het buurtschap duikt ie doodvermoeid het bos in. Maar gelukkig zien we later het zwervertje het terras opgaan van cafetaria Halte Assel. Wij maken dat we wegkomen. Andere mensen moeten zich nu over het beestje ontfermen. Aan de met klinkers bestrate weg (een vooroorlogs project waarvoor werklozen uit Amsterdam zijn ingeschakeld) naar Hoog-Buurlo ligt een natuurbegraafplaats. We lopen langs de kapel en bekijken een aantal graven van dichtbij. De meeste zijn bescheiden van opzet. Geen grote strakke gepolijste stenen, maar een “gewone veldkei” met tekst. En op het graf zelf staan schaduwplanten zoals klimop en mansoor. In Hoog-Buurlo, bij de eerste schaapskooi, eten we het restant van ons lunchpakket op. Bij de tweede schaapskooi staat een “hooiberg”, die gedeeltelijk is opgevuld met heideplaggen. Die plaggen zijn een eindje verderop gestoken. De zoete geur van de rijk bloeiende heide komt ons tegemoet. Prachtig is het hier. Links de met fel paars beklede heuvels onder een fraaie wolkenlucht en rechts de statige bomen van een dubbele beukenlaan. Aan het eind van de “hoofdstraat” van Radio Kootwijk ligt de “kathedraal”. Het imposante gebouw van waar uit in de twintiger jaren van de vorige eeuw voor het eerst rechtstreeks radiocontact met Nederlandsch-Indië mogelijk was. Bericht geplaatst door Rowan Koster op vrijdag 9 november 2007 |
||